De kunst van het durven leven en leren

.

.

We hebben vrijheid nodig, om te kunnen spelen. Maar het is de door onszelf gekozen beperking, waardoor we iets tot stand kunnen brengen. Ongelimiteerde vrijheid is spelen met de dood. Veiligheid, die enkel vanuit angst wordt geboden, werkt verstikkend. (Alowieke)

.

„Tout le monde est….LIBRE!“ roep ik uit en spring van het bordes af. Mijn woonwagen schudt ervan. Mijn vriend leest Tijl Uylespiegel op zijn e-reader en kijkt verbaasd op. „Zeg je dat zomaar? En nog wel in het frans?“ Ik kijk hem laconiek aan en krab aan mijn hoofd. „Tja, ik weet ook niet waarom.“

De dagen er na komt het thema vrijheid steeds bij me terug. Als een boemerang, die ik weggeslingerd heb. Ik lees over onderwijsvernieuwing, wat nu een heet hangijzer is. Er is een groeiende groep mensen die het anders willen, meer vrijheid. Er groeit de behoefte om het korset van zich af te werpen, een bevrijding van de dwang om hoge cijfers te behalen, steeds sneller en sneller en altijd binnen de streng opgestelde lijntjes. De regels dienen het doel niet meer. Het korset jeukt en knelt en staat op springen.

Wat zijn de alternatieven? Ik ga op onderzoek uit en lees de website van de oprichters van de scholen van Iederwijs. Vernieuwers worden al gauw de pas afgesneden. Dat is een feit. Al bij de kiem raakt een initiatief bekneld met vooroordelen, als een klein blommeke dat de pech heeft op te groeien in een veld vol pispotjes. Dat gebeurde met Iederwijs ook. De initiatiefnemers  hebben na de sluiting van hun scholen lang en diep nagedacht over hun succes en ondergang. Ik ben verrast over hun website. Het straalt rust en harmonie uit. Het is opgesteld als een gedicht, met kernachtige zinnen afgewisseld met foto’s. Ik lees het lange verhaal in één ruk uit. Halverwege het verhaal lees ik dit.

Vrijheid alleen geeft geen veiligheid en geborgenheid.

Dat herken ik. We hebben geborgenheid nodig. Dat is één van de redenen waarom ik zo’n fijn huisje heb gebouwd. Niet zomaar een huisje. Nee, op wielen! Nu kan ik overal heen met mijn eigen fijne hol vlakbij me. Mijn eigen huis is een stille plek, waar ik kan schrijven en nadenken. Het is als een buik, die mij koestert wanneer ik dat nodig heb. Zonder dat kan ik niet schrijven zoals ik nu doe. Het is ook de geborgenheid van deze stille plek in Brabant, die maakt dat ik zo vrij ben om mijn eigen kleine huis te bouwen.

Iedereen heeft een eigen plek nodig om zich veilig te voelen. Het zelf te kunnen bouwen is nog mooier. Aan de buitenkant straalt mijn huis eigenheid uit, het is een licht en opgewekt huis en mensen kijken blij als ze het zien. Je ziet er ook de band in, die ik heb met de natuur. Je ziet het van verre. Het huis en ik horen bij elkaar. Zo te wonen, het geeft me een helder en tevreden gevoel. Het is een plek waar iets kan groeien.
Terwijl ik nadenk over vrijheid en geborgenheid, verschijnt er een bericht in mijn mailbox. Het kondigt een stuk van Rutger Bregman aan, op de Correspondent. “Waarom onze kinderen steeds minder spelen.“

Er is een berg aan wetenschappelijk bewijs dat vrij, risicovol spel goed is voor de fysieke en mentale gezondheid van kinderen.

Die zin treft me. Ja! Dat is de andere kant van de weegschaal. Risico’s nemen. Dat willen we ook! We zoeken naar het evenwicht. Geborgenheid en avontuur. Het zijn twee kanten van de medaille.

Ooit had ik een vriendje. Hij was 27, ik was 21 jaar oud. Hij was schrijver, werkte voor de VPRO gids en zat boordevol energie en enthousiasme. Hij had geen school nodig. Hij vond alles zelf uit. Op een dag maakte hij het uit met mij. Terwijl ik met betraande ogen vol ongeloof naar zijn onpersoonlijke, getypte afscheidsbrief keek, was hij al op reis. Turkije was het doel, liftend. Het was eind december. Het was koud in Turkije, maar dat wist hij niet. Elke dag schreef hij in een dagboek, dat na zijn dood werd gekopieerd voor iedereen die het wilde lezen. Hij bruiste van enthousiasme, ondanks de tegenvallende kou. Zijn gedachten namen een hoge vlucht en gaande weg groeide er een idee. Hij zou bovenop de hoogste berg klimmen en een grote steen zoeken. In die steen zou hij beitelen: „Op deze plek is opgericht, de Universiteit van het Leven, 1989,  S.D.“ Met glanzende ogen ging hij op weg.
Hij kwam nooit bij de berg aan. Al liftend kwam hij in aanraking met twee rovers. Ze doodden hem om zijn schamele bezit. Hij kon ze niet verstaan. Hij wist van niks en was vol van onbegrensd vertrouwen. Pal voor de oprichting van zijn Universiteit van het Leven, vond hij de dood.

Ik was wekenlang met stomheid geslagen, toen ik het hoorde. Sindsdien weet ik waar ongelimiteerde vrijheidsdrang toe kan leiden. Het is spelen met de dood. Ik was nog jong toen het gebeurde. Op dat moment heb ik een grote stap terug gezet in mijn drang naar avontuur. Mijn impulsiviteit werd gevoed met gezonde bedachtzaamheid, waardoor ik kon aarden.
Nu is het ruim dertig jaar later. Steeds meer ben ik gaan inzien dat ik het avontuur niet ver weg hoef te zoeken. Het is ook dichtbij te vinden. En thuis heb ik de rust om stil te zijn en na te denken. Er is een balans, waardoor ik kan doen wat ik doe. Het is de ideale mix van avontuur en geborgenheid. Ik nam vijf jaar geleden het risico om de sprong te nemen en alles achter te laten. Daarna vond ik de rust om gewoon in ons eigen landje deze mooie, maar ingewikkelde wagen te bouwen. Het was er allebei. Vrijheid én geborgenheid.

Ik denk dat ons onderwijs dezelfde balans nodig heeft. Het opnieuw ontdekken van nieuwsgierigheid en levenslust. Het nemen van risico’s, breken met dingen die niet (meer) werken, hangen aan de touwen, slepen met dode takken en autobanden. Dat is de ene kant. Maar ook moet het een veilige plek zijn die stilte biedt, voor wie het nodig heeft om na te denken.
Spelen, daar begin je mee, als je een nieuw leven begint. Het is een heerlijke verkenning. En dan komt twéé. Concentratie is nodig, wil je daarna iets kunnen opbouwen wat groter is dan spel alleen. Dat kan alleen als je niet steeds op je hoede hoeft te zijn.
Het is de vrijheid, waardoor we kunnen spelen. Het is de door onszelf gekozen beperking waardoor we iets tot stand brengen.

.

.

Links:

De laatste school sloot de deuren in 2008. http://www.iederwijs.nl/

Eén van de oprichters van Iederwijs, Bas Rosenbrand, is met een nieuw initiatief bezig. http://onzenieuweschool.nl/plans-ideas/tribe/

Een artikel dat veel reacties op roept. https://decorrespondent.nl/7075/waarom-onze-kinderen-steeds-minder-spelen-en-wij-met-een-burn-out-thuis-zitten/1810475583675-6e0c9615

Reactie op het stuk van Rutger Bregman in de Correspondent: http://www.kunstcontext.com/ckv/Reactie%20op%20kinderen%20krijgen%20te%20weinig%20vrije%20tijd%20om%20te%20spelen.pdf

En tot slot: In dit artikel kun je lezen dat Sietse in 1987 de dood vond door geweld. (Op de steen in de tekening heb ik per abuis 1990 opgeschreven, wat voor mijzelf het jaar was dat ik, mede door hem geïnspireerd, de stoute schoenen aan trok en mijn eigen weg ging. ) http://leiden.courant.nu/issue/LD/1987-01-30/edition/0/page/3

 

 

 

.

.

.

 

Geraakt door de geest der nomaden

 

.

.

Thema’s komen terug, als zwaluwen in de zomer. Er zit een wetmatigheid in leven, ritmes en betekenissen, die overal en altijd terugkeert, in allerlei culturen. (Alowieke)

.

Het is 1979. Ik ben veertien en we maken een tocht door Amerika. We zijn met zijn vijven, mijn twee oudste broers zijn thuis gebleven. Onze gehuurde camper staat op een camping bij Lake Michigan tussen de bomen. Het terrein is omringd door hoge heuvels.

Ik sta voor de wagen. De anderen, vader, moeder, broer en zus, zijn aan het treuzelen. Treuzelen ja, want we zouden gaan wandelen. Ik kijk nieuwsgierig omhoog naar de heuvel, ik wil weten wat er achter is. Ik kijk nog eens om me heen, zie nog geen spoor van mijn familie. Ik besluit niet te wachten en lekker in mijn eentje op ontdekkingstocht te gaan.

Ik klauter de heuvel op. Het is lager dan een berg, maar hoger dan een duin. Tussen bomen en bosjes door vind ik mijn weg. Gestadig klim ik verder, tot ik boven ben. Daar sta ik eensklaps doodstil. Wat ik zie beneemt me de adem. Hier opent zich een gigantische zandhelling. Een vallei van zand is het, waar slechts hier en daar een tengere boom zich taai en kronkelend in leven weet te houden.
Ik sta roerloos stil. Aan het einde van de zandvallei is het meer. Tussen de totaal verlaten, ruige coulissen gaat hij onder. De grootsheid van het schouwspel overvalt me. Ik zie de macht van de natuur en voel me ineens volkomen verlaten en aan de elementen overgeleverd. Een diepe paniek overspoelt me. Zometeen is de zon onder en dan ben ik hier alleen! Rennen, rennen wat je rennen kan! Ik weet niet hoe snel ik bij de camping terug moet zijn. Maar die is verrassend dicht bij. Hijgend bereik ik de top en net over de heuvel zie ik de rook van de vele barbeques alweer terug, die als een waas boven het bos hangt. Onder die bomen, onder die rook, is de camping verborgen. Opgelucht haal ik adem.
Ik loop terug naar de camper. De anderen zijn weg. Ik ben alleen. Ik ga zitten en zie het beeld nog steeds voor me. Het staat in mijn hart gegrift.

Mijn familie had veel langer gewandeld dan ik. Maar zij zijn het nu al lang weer vergeten. Op mij maakte deze plek een onuitwisbare indruk. Ik stond daar, als door de bliksum getroffen. Op dat moment bedacht ik me, dat ik best altijd zo wilde leven, als een halve nomade. Misschien was het de geest van het oude indianenvolk, dat mij raakte.
Het gebied waar ik was, werd vroeger bevolkt door de Ojibwe-Anishinaabeg, een volk van semi-nomaden. Ze leefden met het ritme van de natuur. Ze visten en jaagden en maakten ahornsiroop, die ze bewaarden in berkenbast. Onder hen waren planteverzamelaars met een ongelooflijk uitgebreide kennis. Sommigen verbouwden mais, pompoenen en bonen. Voor hen was al het leven met elkaar verbonden. Het kleinste insect of het diepst verborgen mineraal maakt er in hun ogen deel van uit, de schepping was één wonderlijk geheel, waar wij mensen een bescheiden rol in spelen.
Onder hen was een medicijnman of vrouw, die de heilige rituelen uitvoerde. De plek waar ze dit deden, had een bepaalde indeling. Er was aan beide kanten een opening, iets wat ook terugkomt in de Ierse cultuur. De Ieren deden dit om de stoeten van “fairies” doorgang te verlenen, die ’s nachts op pad waren. Anders werden ze boos en dat bracht niet veel goeds. Waarom dit Indianenvolk hetzelfde deed, dat weet ik niet. In elk geval maakten ze ook een opening in het dak, zodat de geest er vrij doorheen kon. In de ruimte stonden vier palen, die het groeien symboliseerde van al het aardse leven.

Thema’s komen terug, als zwaluwen in de zomer. Die indeling die ik net noemde, lijkt verrassend veel op die van mijn woonwagen. Ook mijn huisje heeft aan beide kanten  een ingang. Ook heb ik een opening in het dak, dat ik het daklicht noem. Dit licht heeft iets verstillends en het geeft me gevoel van ruimte. Aan het einde van het daklicht is het glas-in-loodraam, met een afbeelding die voor mij het aardse groeien symboliseert, onder de blauwe hemel van de kosmos. Ik ben maandenlang alleen geweest om me compleet te concentreren op het ontwerp. Het is iets geworden wat helemaal van mij is, maar tegelijkertijd heel universeel.

Zijn de gelijkenissen met de Ierse en de Indiaanse manier van bouwen toevallig? Ik denk het niet. Er zit een wetmatigheid in leven, ritmes en betekenissen, die overal en altijd terugkeren, in allerlei culturen. Ook in onze dolgedraaide mallemolen van de moderne wereld zijn oude tekens te vinden. Het is er nog steeds. En als we samen stil zijn onder dezelfde maan, dan kunnen we nog heel veel horen, als een lied dat steeds weer klinkt en dat toch telkens anders is.

 

 

Misschien is het dàt wel wijs
te gaan op het pad van eigenheid,
te werken aan een regenboog
die straalt en stroomt
in tijdloze verscheidenheid
en die toch tegelijkertijd,
ons elkaar weer doet herkennen
als wonderkinderen
van de schepping

Misschien is dat de volgende stap
het lef om te leven
in het groene paradijs

.

.

DE BOUW

Ik zag enigszins op tegen de laatste grote klus. Maar het ging verbazend vlot en voorspoedig. En ik vond ook nog tijd om het hele gebeuren te filmen en de film te bewerken tot een aangenaam geheel. Mèt een lied aan het eind!

.

.

.

.

Van plakband en karton

.

 

.

Laten we onze behoeften niet meteen opvullen met het meest voor de hand liggende. Laten we leegtes creeëren om ons palet aan kansen te herontdekken. (Alowieke)

 

Ik loop de drogisterij van Middelbeers uit en wil mijn fiets pakken. Mijn afgeknipte spijkerbroek is vuil van vele weken werk, maar mijn hemd is fris en groen. De zon staat al twee weken te branden boven mijn hoofd en heeft mijn schouders bruin gemaakt. Ik schuif mijn hoed naar achteren, die ik maakte van een rieten lampekap. Hij moet mijn gezicht en nek beschermen. Het is een goede hoed en hij blijft stevig zitten als het hard waait. Zeker op de lange landweg tussen Haghorst en Middelbeers, daar kan het hard waaien.
Ik stop mijn net gekochte buitenthermometer in mijn fietstas. Ik wil weten hoe warm het is in mijn wagen. Die dorpse drogisterijen hebben van alles, je kan het zo gek niet bedenken. Zelfs thermometers!

Net als ik mijn been over de hoge stang van mijn grote Gazelle wil slingeren om weer naar huis te fietsen, zie ik een rek met slippers. Slippers van hard en zacht schuimspul, bont gekleurd, of zwart met een kraal tussen de tenen. Ik zet mijn been weer op de grond, zet mijn fiets op de standaard en loop terug. Zal ik het doen? Koop ik ze?

Het is elke keer een keus. Wat is mijn behoefte. Ik heb slippers nodig. In elk geval heb ik ze vandààg nodig. De dikke balken van mijn steiger worden gloeiend heet in de zon. Gisteren ging het nog net, maar vandaag wordt het te heet onder mijn blote voeten en met schoenen aan is ook niks. Dag na dag werk ik gestadig door aan het dak van mijn woonwagen en het wordt prachtig. Ik drink veel water tijdens het werk en mijn hoed beschermt me tegen de hitte. Maar mijn voeten willen òòk wat. Koop ik nu die slippers of niet? Sandalen zou beter zijn. Daar heb ik verder ook nog wat aan. Maar die hebben ze hier niet. En ja…. hoe vaak draag ik nou slippers??

Ik koop ze niet. Ik slinger mijn been over de stang en fiets weg. Thuisgekomen is de steiger nog heter geworden dan hij al was. Ik vraag me af hoe ik nu toch verder kan werken.

Dan zie ik een stuk karton liggen en een rol plakband. De oplossing ligt pal voor mijn voeten. Ik spring op en pak het stanleymes. Ik zet mijn voet op het karton, snijdt er met een ruime bocht omheen en bind het plakband om mijn voet en het karton. Het resultaat is een paar prachtige wegwerpslippers, waar elke zigeuner of stadsindiaan trots op zou zijn. Blij klim ik de steiger weer op. Ze werken net zo goed als echte slippers en het plakband blijft goed zitten. Hoera.

Leven in het klein maakt creatief. Steeds vaker ontdek ik dat het veel leuker is om niet alles te hebben en òveral in voorzien te zijn. Leven in het klein betekent leegtes creeëren. Ik bouw niet alleen een huisje, ik bouw ook aan kansen. Elke leegte is een uitnodiging! Laat de tijd zijn werk maar doen.

Ik ben er van overtuigd. Creativiteit is onze redding. Laten we onze behoeften niet meteen opvullen met het meest voor de hand liggende. Laten we leegtes creeëren om ons palet aan kansen te herontdekken.

.

.

BEELDEN TIJDENS DE BOUW

.

Voor dat het dakrubber er op kon, moest ik nog een paar dingen bijwerken. Met deze lamellenschuurschijf op de haakse slijper gaat dat hartstikke snel, terwijl hij toch al flink versleten is en het eigenlijk tijd is voor een nieuwe.

.

 

Bij de verhuizing heb ik per ongeluk al mijn hoeden weg gedaan. Geen nood, ik vond een prachtige lampekap, die ik geschikt heb gemaakt om als hoed te dragen.

.

 

Als schoorsteendoorvoer heb ik een oude petroleumkan gebruikt.

.

 

.

 

.

.

.

Een schimmige schaduw

.

.

We gaan op tijd naar bed. Dick heeft mij verrast met een bezoekje, maar hij moet morgen vroeg weer op. Tevreden stap ik in het brede, net opgemaakte bed. Ik geniet nog steeds van het fijne hol, en de kleine raampjes waardoor ik naar buiten kan kijken, met mijn hoofd op het kussen. Ik wil net lekker gaan liggen, als ik vanuit een ooghoek een donkere schaduw zie.
Buiten tekent de bovenkant van het ijzeren hek zich af als een oplichtende streep en daar, op het hek, zie ik wat zitten. Het lijkt op een vogel. Zou het diezelfde zijn die ik net ook al zag? Ik liep net nog over het veld toen er iets groots over me heen scheerde. Ik kon het niet goed zien, hij vloog snel het kleine bos in, dat bij de vijver ligt. Hoge populieren torenen als donkere wachters boven de plas uit. Daar vloog hij heen. Zou hij toch weer terug gevlogen zijn?
Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en blijf turen. „Volgens mij zit er een roofvogel op het hek,“ fluister ik tegen Dick en ben even stil. Dan praat ik verder. „Ik zag hem al eerder. Hij is nu op muizenjacht. In de buitenkeuken vallen wel eens kruimels op de grond en ik heb al een paar holletjes gezien daar. Misschien heeft hij dat ontdekt.“
„Zo dichtbij de wagen,“ mompelt Dick „dat is wel bijzonder.“ Hij vertrouwt mijn verhaal op mijn woord. Zijn zicht is zeer beperkt en in de schemering wordt alles voor hem één donkergrijze massa.
Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en blijf turen. „Ik denk dat hij het is Dick…  Hij zit heel stil. Maar dat moet natuurlijk ook, anders zien de muizen hem bewegen,“ denk ik hardop. Ik zet mijn ogen op scherp. Zie ik nu zijn kop of is dat een vlek in de bosjes? Ik beweeg mijn hoofd heen en weer om beter diepte te kunnen onderscheiden. In het donker lijkt alles een tweedimensionaal vlak te worden. Hij zit inderdaad vlak bij de wagen en ik zie toch iets wat zijn kop zou kunnen zijn. Maar waar is zijn snavel dan? Ik begin nu toch te twijfelen. Ik ben stil en wacht.
„Hij blijft wel heel lang stil zitten,“ zeg ik tegen Dick „Is het wel een vogel?“
„Ja, dat weet ik ook niet,“ zegt Dick loom, hij slaapt al bijna.
Ik kan de deurtjes van ons bed open doen om te kijken of hij dan weg vliegt. Maar ik vind het ook jammer als hij er dan niet meer is, als hij het wèl is. Aarzelend blijf ik kijken, tot ik toch, heel voorzichtig de deurtjes open doe. De vogel roert zich niet. Ik houd het niet langer uit. Nou moet ik het weten ook.
„Ik ga even buiten kijken hoor,“ zeg ik tegen mijn vriend. Ik krijg geen antwoord meer. Ik spring uit bed en schiet de deur uit..

Ik stap van het bordes en loop met mijn blote voeten in het vochtige gras. Ik loop rond de wagen naar de achterkant, waar de keuken is. Zachtjes kom ik dichter en dichterbij de donkere schim op het hek. Ik sluip erheen tot ik er vlak naast sta.

Dan moet ik lachen. Het is mijn klomp! De klomp waar een gat in zat en die ik toen maar aan het hek hing, om mijn bestek in te bewaren! En wat ik aanzag voor zijn kop, dat was de pollepel. Wat een mop. In het donker ontstaan de sterkste verhalen, dat is een ding dat zeker is.

 

Elke centimeter aandacht

.

 

 

Rustig aan,
dan breekt het lijntje niet.
Kijk waar je naar kijkt
en zorg dat je het ziet.

Hardlopers zijn doodlopers
en mensen die het toch blijven doen
zijn hardnekkige knieënslopers

Liever één vogel in de hand,
dan tien in de lucht
Liever hier zijn met verstand
dan met haastig hart op de vlucht

Maak wat moois van wat er is
weet alles heel dichtbij
zonder spinsels van gemis.
boetseer je dagen als met klei
meet je voeten met de rolmaat
elke centimeter aandacht
en nooit ben je te laat.

Ben waar je bent

Wat is,
dat is.

 

.

Ik heb een steiger gemaakt! Alles was er, de metselschragen die ik mocht gebruiken, de lange zware balken, Er was genoeg materiaal om van de steiger een stabiel geheel te maken. Had ik eerder geweten dat dit alles zo makkelijk te vinden was! Nu kan ik verder werken aan het dak.

.

.

 

 

 

 

 

 

.

.

Ik herinner mij vorig jaar maar wat goed. Wat was ik het zat, dat gewiebel op die keukentrap! Mijn wagen staat op een hobbelig grasveldje. De keukentrap had smalle lange poten. Elke keer als ik hem verzette, moest ik plankjes onder de poten schuiven om de ondergrond effen te maken en om te zorgen dat hij niet in de grond zakte. Ik ging op en af. Ik pakte de boor, klom omhoog, boorde een gaatje en klom weer naar beneden voor het volgende.

Ik ben heel wat naar boven en naar beneden gegaan en ik heb heel wat plankjes verschoven, onder die lange wankele poten. Een geweldige oefening voor benen en balans. Al balancerend maakte ik de goot, sloeg deuvels in dakspanten, zodat ze stevig vastzaten en schilderde het dakzeil groen. Het zeil, gemaakt van kunstrubber, vouwde ik aan de randen netjes in de goot. Nu kon het mooi afwateren. Ik maakte het vast met touwen, latten en lijmklemmen en klom voor de laatste keer naar beneden. Hoopte ik.

Ik keek op een afstandje naar mijn werk. Het zou vast nog flink gaan stormen, de herfst moest nog komen. Maar alles zat vast. Ik bekeek mijn werk van binnen en van buiten. Maar het was goed en er was niets dat lekte of wapperde. Voorlopig zou dit het dak zijn, al verdiende het geen schoonheidsprijs. Later zou ik wel verder zien. Opgelucht nam ik dat besluit en ging verder met de binnenkant, het bed, de zithoek, de afwerking, het schilderen. Als dat af was, dan kon ik er in de lente gaan wonen…

.

.

Boven de goot kan ik nog steeds een gat maken in het dak. Achter de isolatie zit niks. Alleen het dakzeil, dat ik hier heb weggeklapt. Ik vind het best geinig, zomaar een gat te kunnen maken, maar het geintje heeft nu lang genoeg geduurd.

.

En nu woon ik er. Maar het dak vraagt steeds luider om aandacht. Het is nog niet af. Dus ben ik weer begonnen. Ik ga de hobbels en bobbels egaliseren met super buigzame plaat en er is meer wat om afwerking vraagt. Op de steiger staat een waterdichte box met al mijn gereedschap. Ik hoef maar één keer omhoog en ik vind wat ik nodig heb. Ik word er net zo blij van als ontbijt op bed. Een cadeautje voor mezelf. Het is wat meer werk voor je kan beginnen, maar het is het waard. Staande op mijn stevige steiger kan ik zien wat ik gedaan heb, ik kan zien of het goed is en wat ik nog wil doen. Dit is nog eens werken! Zonder veel gedoe heb ik overzicht. Daar ga ik van genieten!

.

.

Het dak met het zeil omhoog geslagen, zodat ik aan het werk kan. Hier is het gat te zien, wat ik voor de gein heb gemaakt en wat van binnenuit zichtbaar is op de vorige foto. Er naast het eerste klusje,  cedarhouten plankjes plaatsen, ter afdichting.

.

.

De essenhouten dakspanten zijn niet allemaal van dezelfde kromming. Ze zijn heet en nat gestoomd en daarna gebogen en ze zijn niet zo krom geworden als ik wilde. Om het verschil in hoogte te overbruggen heb ik deze lat gemaakt.

.

.

.

Hier kun je de inkepingen zien, voor elke boog anders. Het meten ervan is een kunstje dat ik leerde bij de bouw van het Statenjacht in Utrecht.

.

.

Deze plaat buigtriplex is zò gemaakt, dat je hem in deze richting  extra ver kan buigen. Aan de binnenkant zijn ribbels uitgezaagd wat dit mogelijk maakt. Daardoor is hij ook lichter van gewicht.

.

.

En toch moet ik de rust verstoren

.

.

Wij hebben elk ons nest. De kwikstaarten en ik. Ze zitten zo vlakbij me, dat ze me wel mòeten vertrouwen. Hun nest is verscholen onder een plaat triplex, die een grote stapel bakstenen afdekt. Er komt steeds gepiep onder vandaan. Ik zou zomaar hun dak eraf kunnen halen. Dan zijn de kraaien er meteen bij. Weg kroost. Maar dat doe ik natuurlijk niet. Ik hou van ze.

Alles valt of staat met een dak boven het hoofd. Dat geldt ook voor mij.
Mijn dak doet wat het moet doen. Daar ben ik blij om. Toch kan ik het zomaar weghalen. Net zo makkelijk als de plaat boven de kwikstaarten.

.

.

.

Het is avond, de late zomerzon schijnt door de ramen met een oranjegeel schijnsel. Mijn vriend Dick en ik zitten stil op de bank te kijken en nemen kleine slokjes van onze koffie. De lichte deuren en de witte muren weerkaatsen het licht, dat bij elke wolk van kleur verandert.
„Wat een mooi huisje hè..“ zegt Dick en hij kijkt me glimmend aan, „een mooi huisje en een mooi meisje.“ Ik lach. „Ik geniet altijd zo van dit licht“, zeg ik. Ik sta op en kijk door het raam. Het hele terrein ligt al in de schaduw. „Wat bof ik! Nergens op de camping is de zon nog, alleen bij mij. Heerlijk, hè Dick?“

.

Ik geniet van mijn huis. De kozijnen van de ramen zijn nu wit geschilderd en afgewerkt. Als je erdoor kijkt, is het als de paspartoe van een kleurige tekening, alles wat je ziet wordt er mooier door. De vensterbank houd ik expres leeg. Er staat alleen een merkwaardig gevormde geluidsinstallatie op van doorzichtig plastic. Maar dat stoort niet.  Onder de vensterbank met de wonderlijke stolp, dààr is een tweede plank en dat is de plek waar alles op staat. Het is er een aangenaam rommeltje en als je op de grond zit, is er veel te zien.

.

.

„Wel raar dat het dak er straks weer af moet,“ zeg ik peinzend tegen Dick. „Nu alles zijn plek heeft gevonden…“
„Ik kan me voorstellen dat je dat een raar idee vindt.“ Dick kijkt omhoog, naar het plafond, naar het hout van de essen bogen en de witte stugge katoen, die er zacht overheen bolt, in een gelijkmatig ritme. Hij weet net als ik, het ligt er los op, samen met de isolerende wol. Weghalen is zo gebeurd. Dat moet ook, straks. Ik wil het dak verbeteren.

.

.

Een heerlijk hoekje onder het zachte plafond, tussen zachte wanden. Nu is het een zithoek. Maar het ophijsbare middenblad is neer te halen met touwen. Met het resterend stuk matras er op, maak ik hier elke avond mijn heerlijk brede bed.

.

Binnenkort komt het buigtriplex. Dit triplex is zó gemaakt, dat je er een flinke bocht mee kan maken. Ik kan de onregelmatigheden bovenop het dak mooi egaal maken, ik kan het dakrubber goed vastplakken en er komt meteen een extra luchtlaag onder. Maar het wordt nog een flinke klus en een stoffige bende. Bovenop het dak moet ik vier-en-veertig inkepingen op maat gaan slijpen. Ik schraap mijn moed opnieuw bijeen. Gelukkig is het de laatste kloteklus. En je weet niet, misschien valt het mee.

.

Eén van de dingen die een plekje vonden, in mijn nieuwe huis. Dit schip komt uit mijn vorige leven. Mijn man Michiel en ik hadden een grote droom. Het schip origineel maken, zoals ze was in haar glorietijd, hier op de foto te zien. We zouden een varend bestaan gaan leiden en weekends organiseren met gasten. Na zijn dood moest ik die droom laten varen en is het schip uiteindelijk verkocht. Ik was de foto helemaal vergeten. Toch, ik hoefde er niet eens bij na te denken, toen ik het hier ophing. Ik zal het straks goed onderdekken, voor aanvang van de stofbende.

.

„Wil je me straks helpen om de platen op het dak te hijsen,“ vraag ik aan Dick.
Ja, dat wil hij wel. Dat is alvast fijn om te weten. Ik kijk naar buiten en denk aan de kwikstaarten, die nu rusten, na een drukke dag van fladderen en tientallen vliegjes vangen. Zij weten niet, dat ik hun dak er zomaar af kan halen. Het zou een hoop stress geven. Ik begrijp het best. Ik zou mijn eigen dak er ook liever op laten zitten. En toch moet het. En toch moet ik de rust verstoren. Het is een goed dak. Maar het kàn beter!

.

De eerste en de laatste foto zijn gemaakt door Dick Verheul

.

.

.

.

.