Het paadje dat niemand kent

.

 

.

“Mensen denken nog stééds dat het mijn doel is, om een reizend bestaan te gaan leiden!” Ik kom uit de woonwagen en kijk naar Dick, die Tijl Uylespiegel leest op het bordes. “Zelfs al volgen ze me jaren, toch lezen ze mijn verhalen vaak met de bril die ze bij aanvang hebben opgezet.”
Dick kijkt op en lacht. “Ja, dat klopt.” Mijn vriend is journalist van beroep. Journalisten weten dat. “Mensen lezen vaak een heel ander verhaal dan jij geschreven hebt.”
Ik knik. “Toch kan het anders. Als je zelf niet teveel wilt en rust hebt, dan kan je je beter open stellen voor wat iemand echt wil zeggen.”
“Ja, dat is misschien wel zo…” zegt hij, “ het kan dat je dan meer opneemt.”
Ik kijk naar de lucht waarin een vliegtuig rond cirkelt, in de wacht voor landing op het vliegveld in Eindhoven.
“En dààrom ga ik nu géén reizend bestaan leiden, ” roep ik uit. Iedereen reist maar rusteloos van hot naar her, waarom zou ik daar aan mee gaan doen? Laat dat bij deze duidelijk zijn, in zo’n onrustige wereld waarin iedereen van alles wil en zo nodig ergens heen moet, ben ik waar ik bèn. Alsof het zo leuk is om in die hectiek op de weg te zijn. Dat doe ik in elk geval niet voor mijn lol. Reizen is op dit moment geen doel voor me, maar bijzaak. Ik ben waar ik ben en ik houd het klein en eenvoudig.“

 

Ik denk er vaak aan. De wereld om ons heen is bijna confuus van onophoudelijke beweging, die steeds sneller lijkt te gaan, virtueel of concreet. Reizen of vermaak, het moet steeds verder, steeds gekker, om de sleur te doorbreken.
Vroeger waren er Dominicanen. Het waren monniken met de gelofte van eenvoud en bescheidenheid. Nog steeds zijn ze er, maar niet veel. Die monniken doen ook een stabiliteitsgelofte. Ze zullen altijd blijven waar ze zijn, in hun klooster. Door hun rust en concentratie konden ze grootse dingen tot stand brengen. Hele bibliotheken brachten ze bij elkaar en in de kunst en de wetenschap hebben ze veel bijgedragen.
Maar niet iedereen heeft een gelofte nodig om te blijven waar hij is. Hele volkeren wonen al eeuwenlang op dezelfde plek en nu nog steeds! Westerlingen vinden dat zo bijzonder, die willen van ze leren. Ze willen zien, hoe ze zo in harmonie kunnen leven met hun omgeving. Om dat te zien maken ze de ene reis na de andere, met de meest verschillende bestemmingen.

Toch, de enige plek om het in praktijk te brengen, dat is thuis. Eigenlijk weet iedereen dat wel. “Aarden”, noemen sommigen het. Er zijn zelfs cursussen voor. Maar in wezen is het heel simpel. Het is zo simpel, dat je het zomaar weer over het hoofd ziet.

Alles kan veranderen. Ik weet niet welke wendingen in aantocht zijn. Misschien dat eens de wereld zo verandert, dat er meer rust zal zijn om als voetganger vanuit ons eigen landje de wereld te verkennen. Misschien zijn er dan overal bloemrijke brede bermen omdat er geen geld is voor onderhoud. Dat vind ik helemaal niet erg. Je kan dan vast heel mooi wandelen en er kunnen weer paarden grazen. Maar mocht dat nog een een poosje duren, ik kan altijd klein beginnen. Want misschien hoef ik nergens op te wachten. Misschien zie ik ergens een heel lief paadje. Het mooiste paadje van de wereld. Dan ga ik daar fijn wandelen. En ik zal het elke dag begroeten in de ochtendzon.

.

 

Lief slim paadje
wie weet,
waar jij nu bent

en al eeuwen
wacht op mij

oeroud kronkelpaadje
dat niemand
nu meer kent

omdat je
pal voor de voeten verdwijnt
van wie haastig hijgend rent
immer op weg naar ergens.

.

.

 

 

 

 

.

.

Vraag aan jou,

Weet je een nieuwe plek voor mij en mijn woonwagen? Voorlopig leid ik een semi-nomadisch bestaan. Ik blijf ergens zolang als het nodig is. Ik houd van plekken waar creativiteit nodig is of waar je inventief moet zijn.

Ik leer veel van beestjes en plantjes. Ik let graag op eetbare soorten en kijk naar verbanden.

Ik kan bouwen aan iets moois. Ik houd van zingen, zuiver en meerstemmig, maar net zoveel van meeslepende ritmes, slome jazz en eigenzinnige liedjes.

Ik houd van onverwachte ontmoetingen met telkens andere mensen. Behalve dat ik er gewoon van geniet,  krijg ik er goeie ingevingen van, voor schrijf-, teken- en filmwerk.  Ik houd van vieze handen en lekker doorwerken in een rustig maar gestadig ritme. Of het nou ijskoud is of heel warm, dat maakt me niet uit. Als mijn voeten maar droog blijven.

Ik wil mijn wagen het liefst meerdere functies geven dan alleen wonen en zie het als een uitdaging om dat compact en efficiënt in te bouwen. Bijvoorbeeld als koek en zopie of mini-solarbioscoopje met filosofische naborrel. Hoe klein kan het!

 Vandaag, woensdag 2 augustus en morgen, 3 augustus, ben ik in de buurt van Zutphen om te kijken op Natuurcamping Wientjesvoort Zuid. Het zou leuk zijn als ik op mijn verkenningstocht nog meer mensen kan opzoeken. Ook als niet alles wat ik noem er is, laat van je horen, ik ben hoe-dan-ook benieuwd! ❤

ALOWIEKE  06-23207532      of       tt.alowieke@gmail.com

.

.

.

Wijsheid van José Munica, president van Urugay van 2010 tot 2015, bekend als “The worlds poorest president.” Pleidooi voor de vrijheid, die uit eenvoud groeit.

Advertenties

Al lachen ze om me

.

.

Er wordt gekeken. Als je het leven anders leeft dan de rest, dan is dat één van de consequenties. Dat je te kijk staat. Voor de één ben je hartstikke gek, voor de ander een exoot, of het gedroomde ideaal.

Ik zit in mijn nachthemd op de rand van het bed en kijk door de halfgeopende deur. De zon staat laag aan de ochtendhemel en schijnt recht naar binnen. Er hangt een waas van ochtenddamp en het gras is nat van dauw. Een stuk verder op de camping, onder de bomen van de kleine boomgaard, staan twee fietsen en een half ingezakt tentje. Een man kruipt op zijn knieën door het gras en verzamelt haringen. Een vrouw staat met de rug naar hem toe en staart naar mijn wagen. Het zal er vast mooi uit zien, in het goudgele licht. Ik negeer haar blik en spring van het hoge bed af. De vrouw ziet mij nu opeens en alsof ze zich betrapt voelt, draait ze zich om.

De zon klimt hoger de hemel in en het wordt al snel warm en benauwd. De fietsers zijn allang vertrokken. Ik heb het bed opgeruimd en nu verlang ik naar koel, stromend water om mezelf op te frissen. In de doucheruimte is iemand bezig. Ik hoor het geraas van een oude stofzuiger. Daar heb ik geen zin in. Dan maar niet douchen. Ik heb een beter idee. Ik ga gewoon zwemmen. Ik gooi mijn handdoek in de fietstas en fiets weg naar het Wilhelminakanaal.

Het kanaal is al in 1983 natuurvriendelijk gemaakt, het was het eerste kanaal met doorlatende damwanden, waarachter waterplanten konden groeien. Er zwemmen meerkoeten, eenden en futen. In het riet broedt de karekiet. Er is ook ruimte gemaakt voor taluds. Jonge watervogels kunnen er de kant op, landdieren kunnen er drinken. Ze zijn verstopt achter het lange gras dat langs het fietspad groeit. Als je het niet weet, dan zie je het niet. Ik weet dat het talud er is, omdat er aan de overkant net zo eentje is, een gat in de beschoeiïng, dat de lange rietkraag doorbreekt.
Ik trek een paar brandnetels uit, die in de weg staan. Ik pak ze onder aan de steel, in het zand bij de wortel, zodat het niet prikt. Kennelijk is hier al een tijdje niemand geweest. Ik zet mijn voet in het water. Het is koud, maar niet hèèl koud. Voetje voor voetje waad ik dieper en dieper en voel de glibberige korrelige steen van het verweerde talud onder mijn voeten. Ik loop tot het diepste punt. Daar kijk ik uit over het kanaal, met het water tot aan mijn middel. Ik zak door mijn knieën en maak een brede schoolslag. Er is niemand behalve ik en kleine rimpelingen schitteren in het licht van de zon. Het is behoorlijk helder, een beetje bruinig van het omgewoelde fijne slib dat op de bodem ligt. Dat is logisch. Dit is een doorgaande scheepsroute, weliswaar niet zo druk bevaren als vroeger, maar toch zie je soms nog grote schepen voorbijgaan, hoog boven het water uittorenend, of diep liggend door hun zware lading. Nu zijn er ook jachtjes, omdat het zomer is. Maar op dit moment is het stil.

Ik heb net een eindje gezwommen, als er twee fietsers aankomen en stoppen, een man en een vrouw. Kennelijk zijn het toeristen, hongerig op zoek naar bezienswaardigheden. Ik zie dat ze hun fiets op de standaard zetten. Zonder een woord te wisselen, gaan ze naast elkaar naar mij staan kijken.
Ik kijk verbaasd naar de oever. De vrouw tilt het fototoestel op, dat op haar buik hangt en maakt een foto, terwijl ze haar blik niet van me afwendt. Even ben ik verontwaardigd, maar dan denk ik, wat maakt het ook uit. Als ze dan toch kijken, dan doe ik voor de show ook maar een balletbeen, zoals ik dat vroeger bij kunstzwemmen heb geleerd. Strak pijlt mijn rechterbeen boven het water uit, voor ik het sierlijk terug sla en wegduik in het water. Dan zwem ik terug naar de kant. Ik voel hun blikken maar negeer het. Pas als ik mijn handdoek pak, zie ik ze verdwijnen. Ik hoop dat ze tevreden waren met de show.

 

Als het maar bij me hoort

Kleine rimpelingen
in het zonlicht,
een stille schoolslag
in verlaten water
en niets dan
wuivend riet

Dit alles
is mij liever dan
wat dan ook

Ik hoef geen
strak betegelde gangen
geen chique hotel met bubbelbaden
fonkelend, met blinkende spiegels
behangen

Ik zwem
ik ben buiten

En dan
als ik terug fiets
en mijn wonderhuisje zie
Dan is er niets
of niemand
rijker dan ik.

 

Geraakt door de geest der nomaden

 

.

.

Thema’s komen terug, als zwaluwen in de zomer. Er zit een wetmatigheid in leven, ritmes en betekenissen, die overal en altijd terugkeert, in allerlei culturen. (Alowieke)

.

Het is 1979. Ik ben veertien en we maken een tocht door Amerika. We zijn met zijn vijven, mijn twee oudste broers zijn thuis gebleven. Onze gehuurde camper staat op een camping bij Lake Michigan tussen de bomen. Het terrein is omringd door hoge heuvels.

Ik sta voor de wagen. De anderen, vader, moeder, broer en zus, zijn aan het treuzelen. Treuzelen ja, want we zouden gaan wandelen. Ik kijk nieuwsgierig omhoog naar de heuvel, ik wil weten wat er achter is. Ik kijk nog eens om me heen, zie nog geen spoor van mijn familie. Ik besluit niet te wachten en lekker in mijn eentje op ontdekkingstocht te gaan.

Ik klauter de heuvel op. Het is lager dan een berg, maar hoger dan een duin. Tussen bomen en bosjes door vind ik mijn weg. Gestadig klim ik verder, tot ik boven ben. Daar sta ik eensklaps doodstil. Wat ik zie beneemt me de adem. Hier opent zich een gigantische zandhelling. Een vallei van zand is het, waar slechts hier en daar een tengere boom zich taai en kronkelend in leven weet te houden.
Ik sta roerloos stil. Aan het einde van de zandvallei is het meer. Tussen de totaal verlaten, ruige coulissen gaat hij onder. De grootsheid van het schouwspel overvalt me. Ik zie de macht van de natuur en voel me ineens volkomen verlaten en aan de elementen overgeleverd. Een diepe paniek overspoelt me. Zometeen is de zon onder en dan ben ik hier alleen! Rennen, rennen wat je rennen kan! Ik weet niet hoe snel ik bij de camping terug moet zijn. Maar die is verrassend dicht bij. Hijgend bereik ik de top en net over de heuvel zie ik de rook van de vele barbeques alweer terug, die als een waas boven het bos hangt. Onder die bomen, onder die rook, is de camping verborgen. Opgelucht haal ik adem.
Ik loop terug naar de camper. De anderen zijn weg. Ik ben alleen. Ik ga zitten en zie het beeld nog steeds voor me. Het staat in mijn hart gegrift.

Mijn familie had veel langer gewandeld dan ik. Maar zij zijn het nu al lang weer vergeten. Op mij maakte deze plek een onuitwisbare indruk. Ik stond daar, als door de bliksum getroffen. Op dat moment bedacht ik me, dat ik best altijd zo wilde leven, als een halve nomade. Misschien was het de geest van het oude indianenvolk, dat mij raakte.
Het gebied waar ik was, werd vroeger bevolkt door de Ojibwe-Anishinaabeg, een volk van semi-nomaden. Ze leefden met het ritme van de natuur. Ze visten en jaagden en maakten ahornsiroop, die ze bewaarden in berkenbast. Onder hen waren planteverzamelaars met een ongelooflijk uitgebreide kennis. Sommigen verbouwden mais, pompoenen en bonen. Voor hen was al het leven met elkaar verbonden. Het kleinste insect of het diepst verborgen mineraal maakt er in hun ogen deel van uit, de schepping was één wonderlijk geheel, waar wij mensen een bescheiden rol in spelen.
Onder hen was een medicijnman of vrouw, die de heilige rituelen uitvoerde. De plek waar ze dit deden, had een bepaalde indeling. Er was aan beide kanten een opening, iets wat ook terugkomt in de Ierse cultuur. De Ieren deden dit om de stoeten van “fairies” doorgang te verlenen, die ’s nachts op pad waren. Anders werden ze boos en dat bracht niet veel goeds. Waarom dit Indianenvolk hetzelfde deed, dat weet ik niet. In elk geval maakten ze ook een opening in het dak, zodat de geest er vrij doorheen kon. In de ruimte stonden vier palen, die het groeien symboliseerde van al het aardse leven.

Thema’s komen terug, als zwaluwen in de zomer. Die indeling die ik net noemde, lijkt verrassend veel op die van mijn woonwagen. Ook mijn huisje heeft aan beide kanten  een ingang. Ook heb ik een opening in het dak, dat ik het daklicht noem. Dit licht heeft iets verstillends en het geeft me gevoel van ruimte. Aan het einde van het daklicht is het glas-in-loodraam, met een afbeelding die voor mij het aardse groeien symboliseert, onder de blauwe hemel van de kosmos. Ik ben maandenlang alleen geweest om me compleet te concentreren op het ontwerp. Het is iets geworden wat helemaal van mij is, maar tegelijkertijd heel universeel.

Zijn de gelijkenissen met de Ierse en de Indiaanse manier van bouwen toevallig? Ik denk het niet. Er zit een wetmatigheid in leven, ritmes en betekenissen, die overal en altijd terugkeren, in allerlei culturen. Ook in onze dolgedraaide mallemolen van de moderne wereld zijn oude tekens te vinden. Het is er nog steeds. En als we samen stil zijn onder dezelfde maan, dan kunnen we nog heel veel horen, als een lied dat steeds weer klinkt en dat toch telkens anders is.

 

 

Misschien is het dàt wel wijs
te gaan op het pad van eigenheid,
te werken aan een regenboog
die straalt en stroomt
in tijdloze verscheidenheid
en die toch tegelijkertijd,
ons elkaar weer doet herkennen
als wonderkinderen
van de schepping

Misschien is dat de volgende stap
het lef om te leven
in het groene paradijs

.

.

DE BOUW

Ik zag enigszins op tegen de laatste grote klus. Maar het ging verbazend vlot en voorspoedig. En ik vond ook nog tijd om het hele gebeuren te filmen en de film te bewerken tot een aangenaam geheel. Mèt een lied aan het eind!

.

.

.

.

Er zit een beestje in

.

.

.

De smalle groene weg gaat recht omhoog. Mijn pootjes passen er precies op. Ik word getrokken naar het heldere geel, dat afsteekt tegen de blauwe lucht. Omhóóg gaat de smalle lijn en omhoog ga ik. Tot ik er ben. Ik ben geel en ik zit op geel. Ik zit op geel, zacht aan mijn pootjes. De wind wiegt mijn wiegwieg.

Het is er opeens. Het is iets enorms. Een grote schok beweegt mij en mijn gele wereld en ik vlieg. En dan, met een kleinere schok is het weer stil. Doodstil. Stiller dan ooit. Ik zit op geel, maar ken het niet. Het is slap en beweegt niet. Waar is mijn wiegwieg? Ik vind de smalle groene lijn. Ik loop hard. In godsnaam, de uitweg!! Daarlangs, daarlangs is de veilige wereld. Ik ren. Maar dan knal ik aan tegen een hete zwarte leegte, een afgrond die mijn wereld als een strop omknelt. Ik snel terug naar het vertrouwde geel. Maar het kwijnt. Er is geen bries die wiegt en waait. Waar kan ik heen? De grenzen van het niets omsluiten me. Terug, gauw weer terug. Misschien is het er nog nèt, een klein stukje wereld waarlangs ik naar mijn oude wiegwieg kan. Misschien is het er. Ik ren. Maar het einde hangt in dode lucht. Ik kan niet verder. Er is alleen maar einde. Overal. Ik zoek en zoek. Terug langs de groene lijn. Terug naar mijn wiegwieg. Waar kan ik heen? Oooooo…….

.

Ik zit bij mijn vader in de auto. De rit gaat naar Denemarken, mijn broer woont er, daar gaan wij heen. Af en toe stoppen we om te rusten. Op één van de rustplekken zie ik een Italiaanse familie. Hun haren zijn zwart en hun nummerbord is Italiaans. Ze kamperen onder de groene bomen, op het grasveld van de parkeerplaats. Ik kijk uitgebreid rond. Er zijn tentjes en overal langs het terrein hangt wasgoed. Ze koken soep op de picknicktafel. Kinderen zitten op hun knieën in het zand. Het ziet er gezellig uit, maar ik denk niet dat het mag. Nou ja, ze doen maar.
Ik ga in de auto zitten en sluit de deur. We gaan bijna weg. Eén van de mannen zag mij kijken en nu loopt hij naar me toe, tot vlak bij onze auto. Met brede glimlach nodigt hij me uit, terwijl hij me kushandjes toe werpt. Ik schud van nee, en blaas een kusje terug.

 .

Dan bukt hij zich. Er staan twéé wilde viooltjes in het gras. Hij bukt en plukt er één. Met een breed gebaar geeft hij het viooltje aan mij, door het openstaande raampje. Ik lach, maar het spijt me voor het viooltje. Had hij hem maar laten staan.
Ik sluit het raam. We vertrekken. Terwijl mijn vader de parkeerplaats af rijdt, tuur ik naar het bloempje. „Er zit een beestje in“, zeg ik tegen mijn vader, die inmiddels flink gas geeft en de snelweg op rijdt. „Maak maar dood,“ zegt hij. „Nee,“ zeg ik „Ik maak geen beestjes dood. Tenzij ze ziek zijn.“
Ik leg het verwelkende bloempje op het dashbord. Ik leg het neer en kijk. Het is een heel klein beestje, lichtgeel van kleur. Ik denk niet dat het vliegen kan. Het rent heen en weer, een rondje op de snel verdorrende bloem en dan het slappe stengeltje op, tot vlak voor het zwarte dashbord. Daar houdt hij abrupt stil, als bij een afgrond. Hij doet het keer op keer. Hij kan er niet mee ophouden. De eindeloze zwarte vlakte van kunststof lijkt ontoegankelijk.

.

Mijn vader is een aardige man, maar voor kleine beestjes stopt hij niet. Later, als we langzamer rijden, draai ik het raampje open en ik gooi het miniscule diertje eruit, samen met het dode bloempje. Het verdwijnt in het kielzog van de auto, weg in de harde wind. Liever was ik er voor gestopt. Maar het is in elk geval beter dan doodgaan op een dashboard.

 

Voor elk levend wezen

geldt hetzelfde ding

Een ieder kent ellende

na ontworteling

.

.

.

Wees trager, kijk langzamer. Hèèl in het klein gebeuren schitterende dingen. Wat horen wij nou, wat zien we eigenlijk? Neem nou de krekels. Die kunnen zingen! Neem de tijd en luister langzaam. Je beweegt je zomaar op de golven van het krekelkoor, dansend het heelal in, bij dit filmpje van Jim Wilson.

 .

Tom Waits hierover: “Wilson, he’s always playing with time. I heard a recording recently of crickets slowed way down. It sounds like a choir, it sounds like angel music. Something sparkling, celestial with full harmony and bass parts – you wouldn’t believe it. It’s like a sweeping chorus of heaven, and it’s just slowed down, they didn’t manipulate the tape at all. So I think when Wilson slows people down, it gives you a chance to watch them moving through space. And there’s something to be said for slowing down the world.”

.

.

Onze bermen hebben meer bloemen nodig, voor de beestjes. Doe mee met deze campagne van Floron en de Vlinderstichting

http://www.floron.nl/Portals/1/Plaatjes/Projecten/bermen/floron-zoekkaart-nectarplanten.pdf

Een loden lucht en lentesoep

.

.

Als je moe bent en de ooit zo blauwe lentelucht is grijs geworden, dan lijkt alles somber. Hoe heerlijk smaakt dan verse, zelfgemaakte lentesoep! (Alowieke)

 

Ik sta voor de deur en staar naar buiten. Donkergrijze wolken jagen langs de hemel, voortgestuwd door harde wind. De kruinen van de bomen waaien heen en weer, sommigen al in blad, anderen zijn nog kaal. Ik kijk op de wekker. Het is al één uur en ik heb nog steeds niks gedaan. Mijn keel is een beetje dik en mijn hoofd voelt zwaar en suf. Ik vraag me af wat ik met deze dag aan moet. Ik staar nog een poosje naar de wind in de boomtoppen. Dan weet ik het. Ik kan twee dingen doen. De hele dag verse kruidenthee gaan drinken of toch nog iets proberen te doen. Ik kies voor het laatste.

Ik loop over het veld naar mijn werk, de bouw van mijn nieuwe woonwagen. Er zijn nog drie plankjes die ik wil ophangen en ook twee kastdeurtjes. Maar eenmaal binnen, laat ik me zakken op de harde planken vloer. De deurtjes die ik nog moet vastmaken, staan vlak vóór me, tegen de andere houten wand aan geleund. Ik ben niet geneigd er iets mee te doen. Misschien komt het als ik er wat langer ernaar kijk. Ik hou vol en kijk nog een poosje naar de witgeschilderde plaat met het pianoscharnier er aan. Het helpt niet.
Misschien is dit niet de beste plek om te zitten. Ik kan mijn heil beter wat hoger zoeken. In de zithoek achterin, kijk je uit over de hele lengte van de wagen en zie je de ramen. Daar ervaar je de ruimte. Dan komt het vast wel.
Ik sta op en klim op dat, wat een bedbank moet worden. De spijlen van de zitting duwen hard in mijn billen. De kussens komen volgende week pas. De wagen schudt een beetje heen en weer door de harde wind. Ik kijk nog een tijdje voor me uit. Langzaam aan vergeet ik de deurtjes, die ik op had willen hangen. De wens komt in me op om terug te gaan. Ik ben moe. Ik wil terug naar mijn wollige schapenvacht.

In de andere wagen is de kachel lekker warm. Ik dompel mij onder in niks en pak een boek.
Als de zon ondergaat heb ik een lange luie dag achter de rug. Maar er is één ding wat nog ontbreekt. De soep.

Ik ga naar buiten om de ingrediënten plukken. Inmiddels is de lucht niet meer egaal grijs. Er zijn stukken blauw te zien, al staat er nog steeds een fikse koude wind. Ik loop naar het perk vlak naast mijn wagen. Er staat van alles wat eetbaar is, sommige dingen heb ik zelf gezaaid, andere plantjes groeien er uit zichzelf. De levenslustige lenteblaadjes barsten van frisgroene voedzaamheid. Precies wat ik nodig heb.
Ik pluk, ik hak en ik kook. De blaadjes en bloemetjes hoeven maar een minuutje te koken, ik wil het zo vers mogelijk. Het wordt een heerlijk soepje. Na de eerste happen al voel ik me een heel ander mens. Daar kan geen supermarkt tegen op.

Niets liever dan lentesoep.

 

Lentesoep uit Brabant

madeliefjes…………………  het kort gemaaide veld staat er vol van.
veldkersblad……………….  groeit hier vanzelf, vlak naast mijn wagen in een perk dat ik maakte
duizendblad……………….. krachtige sterk uitdijende plant, van zaad uit Roemenië. brandneteltoppen……….. Overal, het is een plaag! Laat iedereen er zoveel mogelijk van eten.
selderij ……………………….  staat naast de bessenstruik, tussen de appelmunt en de veldkers.
knolraap, rode ui………… van kwekerij Oppers in Middelbeers, vier kilometer fietsen.
linzen en knoflook……… uit de biowinkel in Tilburg waar ik twee uur voor gefietst heb.
een lepel sesampasta …. biowinkel Balans uit Eindhoven, gekregen van mijn vriendje marmite……………………..  van de supermarkt, voor de vitamine B12
laos en  peper …………….. zwarte peperkorrels  en laos in een zakje van de Turk in Eindhoven

 

Voor mensen die niks van plantjes weten of die geen tijd hebben om te plukken:

http://www.herenboeren.nl/ (van eigen grond, maar niet persé biologisch. Wie weet komt dat nog?)

.

De voedselknoop

.

 

Onze voedselketen is erg ingewikkeld geworden. Het is een duizelingwekkende achtbaan, met ziekmakende loopings en niemand weet waar het begin is en het einde. En niemand weet wie daar dan staat en in welke omstandigheden die verkeert. Ik had een terloopse ontmoeting met een gangbare boer. Hij was op weg naar zijn land en ik sprak met hem. Een bijzonderheid, in dit land van grootschalige akkerbouw ontmoet je maar zelden een boer op de landweg.

 

De melk is op, alle drie flessen zijn leeg. Voor ik aan het werk ga, wil ik ze gevuld hebben, vol verse romige geitenmelk. Ik pak de flessen, spoel ze om en stop ze in een linnen zak. De zak wikkel ik een paar keer om het stuur en zo fiets ik weg, de camping af, de weg op.

Op de lange rechte weg naar Haghorst loopt iemand. Het is een kleine, wat oudere man met zijn arm onder zijn jas, alsof hij die gebroken heeft. Tegelijk komt er een grote machine de naast ons gelegen akker oprijden. „Hallo!“ begroet ik hem vrolijk en ik stap af. „Wat gebeurt hier?“ Ik kijk hem nieuwsgierig aan en wijs naar de landbouwmachine naast ons.
Hij blijft staan, kijkt me genoeglijk aan en geeft heel rustig antwoord. „Dat is een mestinjector. Hij injecteert de mest in de grond.“
Ik kijk naar de tentakels, achteraan de wagen en de man, die hem hoog en droog bestuurt. In de ronde laadruimte moeten heel veel liters mest passen. De enorme brede wielen rollen rustig over het droge zand. „Ik heb er wel vaker eentje gezien, maar deze is wel erg groot zeg.“
„Ja, dit is een professionele.“
„Hij rijdt alles plat,“ zeg ik bot. En op hetzelfde moment bedenk ik me dat dit de boer moet zijn, die ik tegenover me heb. Hij blijft me vriendelijk aankijken en geeft me nog gelijk ook.
„Ja, het gaat wel ten koste van de structuur van de bodem, maar kijk, die wielen zijn zo breed, dat het de schade beperkt.“ Ik kijk hem opnieuw aan, met frisse belangstelling. Ik kijk naar de wielen die wel een meter breed zijn, met een dik profiel erin. Ik knik. „Ja, ik zie het, dit scheelt wel.” Dan praat ik verder. „Ik heb gehoord van precisielandbouw. De machines zijn computer gestuurd en rijden elke keer precies over het zelfde spoor, om de grond zo min mogelijk plat te rijden.“

In gedachten zie ik een met rijen bomen beplante akker voor me, met rijen lagere gewassen er tussen in. Het is een permacultuurboerderij. Tussen de bomen rijdt een smalle trekker, over een smal spoor, om te oogsten. Maar ik zeg niks van wat ik voor me zie. Ik heb deze man nog maar net ontmoet, en ben te gast in dit Brabantse land. Als gast kun je beter eerst luisteren en niet alles beter weten, vind ik.

„Ja, precisielandbouw“ beaamt hij. „Dat is mooi. Daar moeten we uiteindelijk naar toe. Er zijn ook drones, als hier straks aardappels staan, dan vliegen ze boven het land en kunnen precies opsporen op welke plekken gespoten moet worden.“ Hij ziet het al helemaal voor zich en zwaait met zijn arm richting het land, als een koning met zijn scepter. „Zo kunnen we de hoeveelheid gif een stuk beperken.“ Hij kijkt er zorgelijk bij. „Het mòet wel,“ gaat hij verder, „We moeten er in méé. We zullen moeten investeren in zulke loonwerkers…“ Er komt een frons in zijn gezicht.
Ik begrijp de boeren, die de ene verplichting na de andere moeten volgen en de dure investeringen kosten vele boeren de kop. Toch mòet het anders, er moet een andere weg in worden geslagen. Maar hoe?
„Het beste zou zijn helemaal geen gif meer te gebruiken.“ Ik spreek op dezelfde zachte toon als hij. „Er komt kanker van ons voedsel,“ denk ik hardop, „ We krijgen de ziekte van ons eten. In Nederland is het zelfs één op de drie!“ Mijn stem klinkt plotseling fel. Hij kijkt me stilletjes aan, alsof ik iets zeg wat hij allang dacht. „Ja toch hè….ons voedsel…“ Hij mompelt het half in zichzelf en hij kijkt naar de grond.
„Er zou meer biologisch voedsel moeten komen,“ zeg ik tegen de boer. „Er zijn notabene een paar duizend bioboeren tekort in Nederland, jammer toch!“ De man knikt, natuurlijk is hij het met me eens.
„Ja, maar het is een grote investering. In de overgangsfase verdien je zo goed als niks en je moet er veel harder voor werken. Het is inderdaad jammer. Nu worden er steeds meer biologische producten uit het buitenland gehaald.“
„Toch zonde hoor..“
„Ja“, zegt de boer, wetend dat je aan veel dingen maar weinig kan doen, net zoals het kan regenen of wekenlang droog kan zijn, zonder dat je er vat op hebt.
Het is even stil.
„En welke aardappel komt hier nou te staan,” vraag ik.
„Bintje,“ zegt hij.
Toevallig ken ik een leuke anekdote over het ontstaan van de naam van deze beroemde Nederlandse aardappel. Hij luistert naar me en lacht breed.
„Dat is mooi hè, die verhalen.” Hij grinnikt nog eens. „Nou ik ga weer verder hoor!“

De mestinjector is aan het einde van het land gekomen. De boer loopt verder de weg af, zijn ene arm zwaait heen en weer tijdens het lopen, de andere arm zit verstopt onder zijn jas. Ik weet nog steeds niet waarom. Verder loopt hij, naar de machine met de man er in. Ik stap op mijn fiets. Ik houd mijn tas met de drie flessen goed vast, zodat het niet wiebelt. Zo rijd ik door naar de geitenboer. Ik heb zin in koffie, echte koffie met verse geitenmelk.

 

Het is ernstig. Ons land telt na Slovenië, de meeste doden door kanker. Eén op de drie mensen heeft de kans het in zijn of haar leven te krijgen. Het is in ons leven geslopen, al decennia geleden is het langzaamaan begonnen, als één van de ziekelijke uitwassen van onze welvaartsmaatschappij. Onze voedselketen is erg ingewikkeld geworden. Niemand weet meer wat hij eet en waar het vandaan komt. En de boer wil wel anders maar weet niet hoe. Het is een voedselknoop. Alleen door drastische veranderingen kunnen we de knoop ontwarren en ons leven weer eenvoudig maken.

Landbouwgif, additieven in bewerkt voedsel en plastics zijn ziekmakend. Maar ook telt het steeds nijpender wordende gebrek aan voedingswaarde en het ontbreken van heilzame stoffen. Hier ligt de oorzaak in onze huidige landbouwmethoden. De ziekmakende oorzaken van ons voedsel worden meer en meer ingezien en erkend. Maar we kunnen het roer keren, en er zullen veel dingen grondig anders moeten.
Ik eet in elk geval biologisch, niet uit plastic en ik vul mijn maaltijd aan met wilde kruiden. In een bodem die met rust gelaten wordt, zijn de heilzame voedingsstoffen nog te vinden, die niet alleen planten, maar ook dieren en ons, mensen, weerstand geeft tegen nare ziekten als kanker. In verschillende landbouwmethoden zijn manieren bedacht om dit op te lossen. Er wordt nagedacht hoe de natuurlijke principes na te bootsen, die de bodem rijker en levender maken en de plantengroei divers en weelderig. Er zijn manieren om meer met de natuur mee te werken in plaats van er tegen in, terwijl het hele plan ons belang blijft dienen. Onderstaande links bevestigen niet alleen dit verhaal, maar tonen ook initiatieven die werken aan die oplossingen. Dingen waar je blij van wordt!

.

Link met nieuws dat het fout gaat met onze voedselproductie

http://www.telegraaf.nl/binnenland/20536216/__Vitamine_weg_uit_groenten__.html

.

Links die gaan over kanker.

http://voedingkanker.nl/voeding-bij-kanker/
http://www.rtlnieuws.nl/nieuws/binnenland/kankersterfte-nederland-een-na-hoogste-
http://www.cijfersoverkanker.nl/

 

Links die gaan over gezond voedsel van gezond land.

http://www.herenboeren.nl/ (recht van eigen land in de winkelmand)
http://toekomstboeren.nl/ (inhaken op initiatieven)
http://natuurlijkeveerkracht.eu/advies/stadstuin/ (advies in de stad)
http://www.akkernaarbos.nl/ (advies boeren)
https://www.nieuweoogst.nu/nieuws/2017/03/22/pionieren-met-een-agrarisch-voedselbos

http://www.wwoofnetherlands.org/ (vrijwilliger worden tegen kost en inwoning)

.

Links van meer politiek getinte bewegingen.

http://www.voedselanders.nl/manifest/
https://www.living-land.org/europa (consultatie aan Europese Commissie)

 

Links met algemene informatie.

https://www.aardeboerconsument.nl
http://www.biojournaal.nl/artikel/25581/Voor-onze-grootste-gezondheidscrisis,-bestaat-geen-enkel-plan (Bijeenkomsten in de Rode Hoed over Positive Health)

 

Help mee en teken de petitie voor de rechten van kleinschalige boeren!

https://peasantsrights.eu/

.

 

Zaterdags werk in de tuin

.

 

 

Het is een dag vol lentegroet
ik kuier over dit kleine land
en bewonder
de heerlijke zon die het dóet

Ik meng de compost met het zand
en mijn vriend, die leest de krant
vlak naast de houten bloembak
ooit gemaakt van een veilingkist
en waar ik zojuist nog wat erwten in stak

Mijn vriend vraagt of ik het wist
dat van die Turken
die mochten het land niet in

Het onkruid laat zich niet beperken
door geen grens of traliewerken
ik haal het weg en spreid de zaden
tot het moment dat de kippen het merken

Ze zoeken en wroeten
vlak naast mijn voeten

Naarstig pak ik de schep
om de ijverige dieren
gauw ergens anders te plezieren

Geschepte aarde, wanhopige pieren
de kippen die krabben en pikken
vrolijk om het te vieren
Snel ren ik weg

Ik strooi het zaad en ik duw het wat aan
ergens ver bij de kippen vandaan
Ik kijk om me heen en zie ze nog niet
O, mogen er hier straks bloemen staan

Het zaterdagse werk is klaar
we zitten gezellig naast elkaar
Ik lees een ingezonden brief
met vieze handen naast mijn lief

Dan hoor ik ergens druk gekrabbel
van een opgetogen zadendief
Ze vindt ze allemaal

De peultjes vlak naast mijn portaal
ik kan het wel vergeten
die bloembak blijft straks leeg en kaal

Ik lach met een vermaakte blik
want ze heeft nu toch gewonnen
ik verstop ze, zij mag vinden
mijn allerbeste kip en ik

 

Hoe kan het toch

.

Stille-oude wei en wij

Midden in de grootste chaos zijn wij JUIST in staat, het paradijs te scheppen, op de plek waar we werkelijk zijn.   (Alowieke)

.

Ik ben er
Ik ben waar ik moet zijn
en jij
jij bent er ook

Weet je nog
die dag,
zo lang geleden

Samen zongen wij een lied
tussen oude stenen in een wei
wie weet was het wel deze
de stenen zijn verdwenen
weggesleept door een man
die uit zijn tractor kwam
terwijl een zware ploeg
ploeterde in de verte
in stofwolken van
zijn spoor

We zongen onder de eikenboom
midden in het land
en schepten koeienstront opzij
met onze blote handen
misschien was het wel hier
waar wij gingen zitten
in het stille gras van
grondige tijdloosheid
de wei die altijd ruikt voor mij
naar
vochtige aarde en mest

En hoewel alles er al was,
en in wezen nooit verdwenen is,
verrast het ons dat wij dan toch
na al dat geploeter
en eindeloze omwegen
dan toch
ten midden van de chaos
hier mogen staan
alsof er
niks veranderd is

En hoe kan het toch
dat ons lied weer licht is
spint van tevredenheid
sprankelend jong
en het gras dat groeit
voor onze vermoeide gezichten
bij elke ademtocht voller wordt
en dat de kievietsbloem bloeit

bloeit
als nooit tevoren

.

Onder de tekening, boven het gedicht, heb ik mijn gedachten kort en krachtig samengevat. Wie kan me aanvullen? Korte overpeinzingen lees ik graag. Citaten van anderen zie ik het liefst met bronvermelding.

 

De zachte krachten zullen winnen

.

-the-fallen-technotreee-kl-frm

 

Een utopie van techniek die mens en bodem negeert, is als een boom zonder wortels. Je weet nooit waar en op wie hij valt. (Alowieke)

.

 

Het is zaterdagmiddag. De noordwestenwind waait als een koude föhn langs mijn woonwagen, maar binnen is het warm. Het is stil, ook de weekendgasten zijn niet gekomen. De wegen zijn glad, de stormwind is ijskoud en heeft gisteren in Scheveningen de kades blank gezet. Springvloed en storm tegelijk, het is opletten geblazen in ons platte landje aan zee. Eén grote golf en Nederland ziet er heel anders uit. Lange tijd waren er wel vijf stormvloeden per eeuw. En dan hebben we het nog niet eens over dijkdoorbraken van rivieren in het binnenland. Dat lijkt een heel andere era, een tijd die voorgoed voorbij is. Wij zullen dit niet meer meemaken. Denkt men.
Ik kijk naar het dunne laagje sneeuw dat alles bedekt. Afdrukken van grote kippenpoten zijn overal rond mijn wagen. De vloer is koud, ik heb mijn knieën opgetrokken, mijn voeten dicht bij me, op de schapenvacht. Mijn eenvoudige leven staat in groot contrast met de toenemende welvaart. Ik voel me verbonden met inheemse volkeren, die dicht bij de aarde leven.

Verbaasd kijk ik naar het nieuws van alledag. Er wordt gewerkt aan zelfrijdende auto’s. Dan kunnen mensen de krant lezen als ze naar hun werk gaan. Er zijn minder ongelukken, want computers kunnen het veel beter met elkaar regelen dan mensen.
En dat mensen robotangst hebben, ach dat verdwijnt wel. Zo is het immers altijd gegaan.

Ik ben niet wereldvreemd. Ik leef in een vreemde wereld. De angst voor auto’s is niet weg. Het is een geaccepteerde angst geworden, die ons vrijheden geeft, maar ook enorme gevaren oplevert. Om al die luxe te voeden, wordt elders andermans grond met voeten getreden. Steeds meer voorouderlijke grond wordt verorberd in de eindeloze honger naar meer, sneller en luxer vervoer, een nog grootser leven, riante huizen. Wilde natuur wordt massaal met de grond gelijk gemaakt, kleine boeren het leven onmogelijk gemaakt, tradities worden afgedaan als achterlijk, inheemse volkeren in elkaar geslagen en vermoord. De tegenstand bij dit geslagen deel van de wereld groeit, tegelijk met ongelooflijke dromen van mensen in de rijke wereld.

Zo droomt Rob Wijnberg, hoofdredacteur van de Correspondent, over eindeloze energiebronnen.
De razendsnelle Airbus brengt je straks in een uur van Amsterdam in New York, lees ik. En nog duurzaam ook! Hij lijkt er razend enthousiast van te worden. Waarom? Hij noemt het “De Vooruitgang.“ Voor mij een leeg woord. Wat is het ècht, is het een verslavend spelletje waar je steeds beter in wordt? Of is het een verlangen naar ongelimiteerde vrijheid? Ik dacht dat het juist de beperking was en de toewijding, wat ons aandachtig maakt en vrij.

 

De mens is pas mens als hij tot zelfbeheersing in staat is en eigenlijk dan pas wanneer hij haar in de praktijk brengt. (Mahatma Gandhi)

.

Tegelijk met de onverzadigbare drang naar technisch vernuft, groeit er een andere beweging, in tegengestelde richting. Mensen die niet méér hoeven dan er is en ook niets missen. Onafhankelijk zijn ze en liefdevol. Ze willen het zèlf doen. Eigenhandig planten ze, oogsten, bouwen, plaatsen hun zonnepanelen of repareren eigen huis en goed. De voldoening die dat geeft, is grenzeloos, elke keer opnieuw. Het is een beweging die 180 graden afwijkt van de andere route, de vooruitgang van de techniek om de techniek zelf, die belangrijker lijkt te zijn dan de mensen.

Ik herken het. Ik heb geen behoefte aan extreme kermisatracties, over de ruggen van anderen. Ik hoef geen zelfrijdende auto. Ik bouw aan mijn eigen kleine huis, op wielen. En als de waterstand stijgt, of de bodem verdroogt, dan zie ik dat. Ik hoef het niet in de krant te lezen in een razendsnel vliegtuig, hoog boven de wereld. En als er een dijk doorbreekt ben ik er hopelijk bij en bied helpende hand.

Ik droom van samenleven. Mijn paarden laten grazen in een kruidige wei en hun mest gebruiken om een groene zee te laten groeien, bron van voedsel voor mens en dier. Net zoals ze dat elders ook al eeuwenlang doen. Zo maken we de cyclus rond. En dan is er herkenning en verbondenheid, vervagen de grenzen. Merkwaardig, die paarden keren toch steeds terug, in mijn droom…. Als symbool van liefde en kracht tegelijk.

.
Henriëtte Roland Holst (1869-1952) schreef dit treffende gedicht, toen ze 49 jaar oud was. Twee jaar jonger dan ik nu ben.  Het komt uit de dichtbundel: “Verzonken grenzen.” (1918)

.
De zachte krachten zullen zeker winnen
in ’t eind — dit hoor ik als een innig fluistren
in mij: zoo ’t zweeg zou alle licht verduistren
alle warmte zou verstarren van binnen.

De machten die de liefde nog omkluistren
zal zij, allengs voortschrijdend, overwinnen,
dan kan de groote zaligheid beginnen
die w’als onze harten aandachtig luistren

in alle teederheden ruischen hooren
als in kleine schelpen de groote zee.
Liefde is de zin van ’t leven der planeten

en mensche’ en diere’. Er is niets wat kan storen
’t stijgen tot haar. Dit is het zeekre weten:
naar volmaakte Liefde stijgt alles mee.
.

https://decorrespondent.nl/5915/waarom-vooruitgang-vooral-een-kwestie-van-duurzame-energie-is/1513634357235-ce2fd3e7

Met de kracht van een donkergroene reus

Een filosofische wandeling door het bos

.

blogtek-wortelgangen-door-de-tijd-kl-frm

.

Ik spreid mijn handen wijd
maak wortelgangen door de tijd
Onze dromen zijn de bomen
van de toekomst

.

De lucht is koud en blauw, maar onze voeten zijn warm. Samen met Dick loop ik in stevig tempo over de verharde weg richting het landgoed “Baest“. Onze adem maakt wolkjes. Als je je ogen dicht doet, lijkt het of er iemand alleen langs komt, zo gelijk lopen we op. Met halfgesloten ogen kijk ik naar de lage zon en geniet van de kleuren, die het licht tussen mijn wimpers maakt, het lijken net vleugels van libellen. „Zo mooi is het zonlicht,” zeg ik tegen Dick „Als kind deed ik dat ook, zo kijken tussen mijn wimpers.”
„Pas maar op,” lacht hij schertsend „Je wordt er stekeblind van!“
„Dat zeiden ze vroeger ook. Ik merk er nog steeds niks van.“
Ik kijk naar het prachtige zachte licht, tot het bos begint, een bosje met enkel sparren, bedoeld om regelmatig hout uit te kunnen oogsten.
In een stil, gestadig tempo komen we aan bij het oude land, het bos dat al veel langer bestaat. Er staan dikke beukenbomen waar verder niks onder groeit. Er ligt een dikke laag goudgeel blad onder, bedekt met bevroren dauw. De stilte en de herfst maken me filosofisch.
„Jij bent niet bang hè?“ vraag ik.
„Waarvoor?“
„Voor het einde van de wereld. Voor chaos en onherstelbare verwoesting door alles wat er nu gebeurt.“
„Nee, er gebeuren net zoveel goede dingen. Het is maar waar je naar kijkt,“ antwoordt Dick.
Ik kijk naar één van de majestueuze beuken, met takken als armen van een donkergroene reus en zonder bladerige kruin op zijn hoofd kun je zijn houtige spierbundels nog beter zien.
„Ik kende ooit een Afrikaan. In de zomer was hij naar ons land gekomen. Toen het herfst werd, kwam hij zorgelijk bij me aanzetten en met grote ogen zei hij: Alle bomen gaan dood! Ik moest lachen en heb hem gerustgesteld.“
„Ik kan me voorstellen dat het schrikken is, als je dat nooit gezien hebt,“ glimlacht Dick.
„Daar moet ik aan denken. Mensen die bang zijn weten niet dat na elk einde weer een nieuw begin is, net als na de herfst en de winter, net als die Afrikaan. Soms lijkt het of alles afstevent op aftakeling en einden van dingen. Maar ik denk dat de meeste kracht niet zichtbaar is. Het is als een netwerk van wortels dat onder de grond groeit en wacht. Als je niet goed kijkt, dan weet je niks van de enorme levensdrang van alles, dat rust in de bodem en zich klaarmaakt voor een nieuwe lente..”
Ik ben even stil en we kijken naar het krakende bevroren blad onder onze voeten. Dick zegt niks, in afwachting of ik nog meer ga zeggen.
„Ik denk dat het precies zo gaat, in een samenleving van mensen en alles wat ons omringt. Overal zijn mensen die werken aan de basis, vaak onbekend en ongezien, maar met ongekende volharding. Al weet niemand hoe het er straks uit gaat zien.“
„Zo is het,“ knikt Dick.

We lopen verder langs de rietkragen van het Wilhelminakanaal. In het dorp drinken we een heerlijke blonde trappist. De glazen met de goudgele drank fonkelen in de lage zon.
„Op alles wat er is!“ Ik hef het glas en klink tegen het zijne.
„En dat we er nog veel van kunnen genieten,“ lacht mijn vriend.

.
.
.

piano-impro-kado-zw-w-kl-frm

VOETNOOT

Tot mijn verrassing kreeg ik een piano improvisatie kado.
Het thema is “Na elke winter komt een lente“
En het past zo mooi bij dit verhaal
dat ik het in de reacties heb gezet.
Het is van Jeroen de Clercq, uit België.

.

.

..