Bedolven verhalen van Frijlân

.

.

Met pezige nieuwsgierigheid
onderzoekt de wroeteldoener
verhalen in de bodem
.

.

Het is een lange oprit vol hobbels en bobbels. Ik zie sporen van grote machines. Hier wordt keihard gewerkt en hier komt straks mijn woonwagen te staan,  op het land dat“Frijlân” heet
Ik zet de geelblauwe OV fiets tegen de muur van de oude boerderij. Tussen keurige stapels oranje dakpannen huppelt een zwart konijn weg. In de lucht vliegt een torenvalk, en ik volg hem tot hij verdwijnt achter het pannendak, dat zo mooi is gerestaureerd. Even later zie ik hem terug komen. Hij vliegt over het erf, tot voorbij de plek waar straks mijn woonwagen staat en verder, de eindeloze groene velden over.

Ik loop de koele boerderij in. Om het hoekje zitten twee mannen koffie te drinken. Het zijn de timmerlui, die aan het dak van de schuur werken. Ze groeten me vrolijk en staan net op om aan het werk te gaan. Ik volg hun voorbeeld, pak de spade, doe mijn klompen aan en vind een paar passende werkhandschoenen. Ik ga graven. Wat zal ik aantreffen in de bodem? Hier ben ik al zo lang benieuwd naar!
Ik loop over het modderige erf vol plassen. Dit is de plek waar een grote schuur is gesloopt. Straks is het mijn uitzicht, een bloemenweide met een vijver. Er is fantasie voor nodig om dat voor je te zien en gelukkig heb ik die. Anders zou ik er nooit aan beginnen. Want nu is het een miserabele vlakte van klei, bezaaid met stenen en plastic.
Wat zit er onder? Ik wil het weten, weten wat er onder het oppervlak ligt. Ik wil graven en kijken, verhalen lezen in de grond. Welke sporen heeft de zee hier achtergelaten? En wat vind ik terug van de mensen die hier hebben geleefd? Ik wil het zien. Ik wil graven, in de aarde, vóór de grote machines komen en alles door elkaar husselen.

De klei onder mijn voeten is zompig. Dat is een goed teken. Maar verderop is de grond keihard onder de plassen. Dat hoort niet. Hier is iets. Ik schraap met mijn spade en zoek naar een plek om te steken. Ik besluit een geul te graven om het water af te voeren, maar moet hier door zestig centimeter stenen heen. Behalve steen, zit er nog  veel meer in de grond. Stukken plastic en  glas leg ik duidelijk neer voor de andere opruimers. Maar vooral vind ik  oude keien en brokken beton, kleine geeltjes en rode bakstenen, van alles door elkaar.  Het lijkt het fundament te vormen van een ouder, kleiner gebouw. Ze hebben er alles onder gegooid wat ze maar konden vinden. Al gravend ontdek ik de afmetingen ervan. Ik werk als een pezige wroetelaar. Ik stapel grof puin op een aparte hoop en selecteer eruit wat waardevol is, een reeks prachtige ronde stenen met cijfers er op

Het veld droogt op, door mijn harde werken. Ik graaf in oude blauwe zeeklei, zo compact dat je er mee zou kunnen pottenbakken. Ik graaf in korrelige zwarte klei, dat tjokvol koolstof zit. Het is een vruchtbare bodem. Maar het snakt naar doorluchting en bodemleven. Daar gaan wij voor zorgen, met onze lange adem brengen we hier het leven terug, een nieuw verhaal op een oude bodem.

De rest van de week werk ik door. Met de beste en mooiste keien bouw ik aan mijn vesting, die het oude en het nieuwe samenvat, een lage stenen wal, die straks de grens van mijn achtertuin vormt. Mijn handen zijn stijf geworden van het steken met de spade en sjorren aan stenen. Tevreden kijk ik naar alle kleuren en vormen, die ik in mijn wal heb verwerkt. Ik zucht. Ten midden van alles wat onder de schop genomen wordt, is hier alvast iets wat blijft staan. Vanuit een ooghoek zie ik een oorwurm verdwijnen onder een steen. Glimlachend neem ik afscheid. Ik zwaai met mijn armen om mijn spieren los te maken. Terug in het werkhok doe ik mijn klompen uit. Ze zijn grijs van de opgedroogde modder.

Terug ga ik naar Brabant, waar nog steeds mijn huisje staat, mijn kleine huis op wielen. Hoelang nog?

.

Volgende week publiceer ik mijn blog ietsje later. Die woensdag, de achttiende, maak ik een live verslag van de opening van Frijlân!

ΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩΩ

.

 

GEDICHT VAN IDA GERHARD

Misschien is dit het wel, waaruit Frijlân wordt geboren, wat ik ervaar als ik bezig ben op deze plek. Een zelfde begin, eenzelfde gloed.

 

Kinderland
 
Als ik ontwaakte onder ’t zolderdak,
in goede geur van appelen en hout,
was het weer daar: de pijltjes tintelgoud
van ’t licht, dat door de fijne spleten brak.
 
Eén streep, die trillend als een gouden speer
schuin inviel – ik kon, reikende opgericht,
mijn vinger doopen in die baan van licht, –
dan legde ik, bevredigd, mij weer neer.
 
En turend in die sterke wemeling
met warme gloed van leven binnenin,
heb ik vermoed, in schemerend begin
àlles, wat later voor mij openging.
 
Zoo liggen steden in een gouden mist
bij lente -, op het mild-beschenen plein
gaan menschen, met in woord en samenzijn
een zacht geheim, dat tastend wordt gegist. –
 
In ièder ding vindt men het anders weer,
en langzaam wordt een samenhang onthuld. –
Ik lag verzonken, zalig en vervuld;
aan ’t hoofdeneind straalde de gouden speer.
 
 
Ida Gerhardt (1905-1997)
Het veerhuis (1945)
.
.
.

Alsof ik er nooit was

.

.

Het is een tijd van dubbele gevoelens. Ik ben blij dat ik naar Friesland ga, en mee kan doen aan een project waar mijn hart naar uit gaat, “Frijlân”.  Ik zit in de wachtkamer. En terwijl de lente met rasse schreden nadert, is het bij mij herfst. Afscheid komt dichterbij.

Ik kijk naar de rotanstoel. Toen ik hier kwam wonen heb ik hem daar neergezet, in de bosjes. Ooit zat ik er vaak in, hand in hand met mijn lief en poes Gijs op schoot. Ze zijn allebei dood. De glimmende rotan wordt groener en groener en de zitting verzakt, tot het volledig uit elkaar valt.
Ik stel me voor hoe het is, als ik hier straks weg ben. Meesjes hippen er in en omheen, pikken er rietjes uit voor hun nesten. Ze kijken overal rond, op zoek naar de heerlijke zonnebloempitten die daar te vinden waren. Maar die zijn er niet meer. Ook niet tussen de struiken, die ik daar plantte en die steeds meer overwoekerd raken door kweekgras en brandnetel. Alowieke is weg.

Zo zal het zijn. Straks is er niemand, die hier pitten strooit. Niet meer op deze plek. Het is er niet meer. Ik  ben er niet.

 

De dag komt nader
De wereld wordt stiller
Handen maken zich los
en een laatste voet
trekt zich los uit de aarde
Ik excuseer mij, ik moet gaan
Het is nu zo
Het moet.

En hoe is het dan als ik weg ben.

De mezen hebben niks gehad
de zaadpot blijft nu leeg
De droge kikker mist het nat
wacht op water wat hij kreeg
mijn gieter voor zijn bad

Braam zal woekeren in de perken
alles wordt als voor mijn komst
als voor mijn hele harde werken
en overal komt gras
alsof ik er nooit was.

Maar het zaad van dode bloemen
wacht in de grond op het juiste moment
En niemand weet wanneer
Er is zaad en hoop op meer
bloemen en bijen die zoemen.

En wie weet komt er wel hulp
van een groene mensenhand
komt ergens ooit een keer
een natuurmens uit zijn schulp

Wie weet.

.

.

.

.

.

Zwetend langs smeltende wakken

.

.

Tilburg. Ik ben er. Ik stap uit de trein, sjouw tussen de piepende poortjes door en check uit. Mijn winterjas is veel te warm. Hij was ooit van mijn moeder en nu heb ik hem aan. Met twee truien er nog onder, zweet ik de uitgang van het station uit. De lucht juicht lente, maar ik sleep me voort als een dweil. Ik loop verder, naar waar de bussen waren, maar er zijn geen bussen meer. Ik zie alleen hekken en allemaal afgezaagde platanen, die ooit zo fier het kleine plein opsierden. Ik draai me om en daar is een informatiebord. De bussen zijn verplaatst naar de andere kant van het station.
Ik loop de stationshal uit en zie in de verte bus 142 wegrijden. Tenminste, dat denk ik. Druipend van het zweet zet ik mijn rugzak op de grond en kijk naar het meisje naast me. “Bus gemist,” mopper ik. “ Die tijden zijn weer eens niet op elkaar afgestemd.”Het meisje zegt “ja” en kijkt gauw de andere kant op.
Ik speur naar een bankje om de warme IJslandse trui uit te doen, die ik onder mijn jas aan heb. Ik vind een plek waar niemand zit. Ik smijt mijn jas uit, prop de trui in mijn rugzak, hij past er nog net bij.

Ik heb het nog steeds warm. Zal ik alles uitgooien en een uur op het bankje gaan zitten? Ik zie mezelf zitten, een dame die de bus heeft gemist. Maar ik ben helemaal geen dame. En ik mis niks. Ik ga niet zitten wachten tot volgende komt, besluit ik. Ik ga gewoon lopen. Als ik mijn benen beweeg kom ik er vanzelf. Zeventien kilometer, dat kan best.
Ik doe mijn jas weer aan, pak mijn rugzak en steek mijn armen erin. De jas is warm, de tas voelt zwaar. Maar toch doe ik het. Er zijn zoveel mensen op de wereld die de bus niet kunnen nemen. Vandaag denk ik aan ze. Bovendien is het een mooie dag.
Terwijl ik de eerste passen maak, zie ik een bus wegrijden. “142” zie ik staan. Ik kan nog net de plaatsnaam onderscheiden. “Best” staat er op. Ik had de bus helemaal niet gemist. Maar nu wel. Misschien wilde ik hem wel missen. Ik hijs de rugzak wat hoger en begin vol goede moed aan een lange tocht.

.

Ik ga langs het kanaal.
Meerkoeten en eenden staan samen
op de smeltende ijsplaat

Het water,
een bevroren vlakte
waar tot voor kort de schepen
moedig scheurend voortgingen
krakende schotsen opzij duwend.

De koude vrieslucht ademt ijs
en zo vriest de vaargeul dicht.

Nu laat het water zich verleiden
door de warme lentelucht
en smelt onder poten van vogels
tot kleine golfjes in het late licht

De smeltweg als een toeverlaat
als een kronkelende beek
die zelf zijn richting kiest met
meerkoeten, spetterend en kwetterend
ver van de rechte oever
de strakke streep van het kanaal

Kon het maar altijd zo zijn
kronkelend los van gelikte lijnen.
Dat alles zijn liefste loop kon vinden

Ik droom en loop
in veel te warme winterjas
voort, op weg naar huis.

.

.

Voet aan de grond

.

.

 

Ik bouwde een huisje op wielen
en ga.
De Aarde zelf
weet wel waarheen.

Ik ga waar de bodem
mij asiel verleent
om klei te wroeten
compost te broeien
voet aan de grond
om te groeien.

Ik ben in klei geboren
en ben te gast op zand
om dit van de grond
in de hoogte te bouwen
ik investeer mijn ademhaling
in dagelijks vertrouwen

Waar ga ik heen
naar welke taak
ik wil geen toerist zijn
slechts voor vermaak.

En alléééé

dan is het er
of wellicht was het er al

Ik krijg voet aan de grond
een gunst aan mij verleend
Ik spreid het laken
voor ‘t laatste stille ontbijt
krachten worden nu vereend
en alles is op tijd
om een brede lach te maken
om lippen
van elke mond

Dat ieder zich verheugen kan
op die ochtendstond
nog verzonken in mist
en het ei dat zachtjes sist
in de koekepan

.

.

 

Een taal die niemand kent

.

.

Ik heb de kachel aangemaakt met kleine houtjes die ik gesprokkeld heb in het bos. Het is een koude ochtend. Ik kijk door het raam van mijn woonwagen naar de witte bevroren mist. Er is geen briesje, geen takje wat beweegt. Een paar mezen hangen aan de vetballen die ik ophing. Het Brabantse platteland maakt zich klaar voor de winter.
Ik kijk door het raam en luister. Ik heb een nieuwe CD, van Goran Bregovic en geniet met volle teugen. Vaska Jankovska, ik hou van haar stem. De muziek neemt mij mee naar buiten. Ik kijk en zie haar tere, heldere meisjesstem als lichte nevel over bevroren gras. Donkere klanken van de contrabas zijn als de natte kale takken, houterig en zwart van vocht. Alles lijkt in elkaar over te vloeien, de stem, de muziek en het verstilde landschap. Ik krijg kippenvel. Ik hoor wat ik vóór me zie. Wat is dit? Wat zingt ze in hemelsnaam?

“Aven Ivenda” lees ik op het beeldscherm. Dat is de titel. Ik zoek verder. Onder een filmpje op You Tube vind ik uiteindelijk de tekst van het lied. Het is geschreven in de taal van de Roma’s, het romani genoemd. Er staan veel reacties onder. Niemand weet de betekenis van de tekst. Ik ga verder op zoek naar een vertaling, maar die is er niet. Er is geen woordenboek van deze taal! Ook Bregovic zelf laat geen woord los over betekenissen. Het komt van een CD met verhalen en liederen van trouwerijen en begravenissen. Het is muziek uit allerlei culturen, het ene moment ingetogen poëtisch om vervolgens uit te barsten in feestelijke uitbundigheid, zo intens als het leven zelf.
Ik zoek en zoek. Maar waar ik ook kijk, nergens is een vertaling van de gezongen teksten en ook niet van dit prachtige lied.

Na een poosje vind ik iemand die meer weet, al is het dan alleen de titel.
Verwonderd staar ik naar de vertaling ervan. Het betekent “De winter komt…”
Notabene! Hier wil ik meer van weten.

De Roma zijn een volk dat veracht wordt. We noemen ze meestal “zigeuners”. Van oorsprong komen ze uit Azië en hun taal lijkt op Sanskriet. Ze zijn muzikaal en ambachtelijk en kunnen veel. Toch krijgen ze zelden respect. In Oost Europa kwamen velen terecht in een hard leven van slavernij. In de tweede wereldoorlog wachtte hen hetzelfde lot als de joden. Het zijn mensen bestempeld als dieven, onbetrouwbaar tuig en asociale schreeuwers. Ik kijk naar verschillende filmpjes, waarin dit beeld bevestigd wordt en een lange lijst met de even schreeuwerige reacties van Nederlanders die ernaar keken. Wat een tegenstelling is dit, met de poëzie van dit ingetogen lied!
Ik zie veel enthousiasme over dit gezongen gedicht, een lied van de Roma. Maar toch vind ik niemand die naar ze toe is gegaan om te vragen wat het betekent. Ik kan het laten liggen. Net als de anderen zeggen, dan weet ik het maar niet. Maar dat zou jammer zijn. Het is zo mooi. En ten slotte woon ik ook in een huis op wielen, net als zij. Als ik het echt wil weten, moet ik zelf op zoek gaan. Op zoek naar één van die Roma. Ergens mòet toch iemand zijn die het me kan vertellen.

.

Sa gada guglije munrrije sa gada dilije
Ucharla iva parne
Thaj duj cikne asvora
Sar duj cirikljora
ivja furjan
Ileja
Aven Ivenda

So te cera romano kopile
Vo isuso sas kopile
Thaj cerlas katar o paj mol
Kale themeja men ustavasa
Punrro ci mekasa
Lundze droma
Ileja
Aven Ivenda

.

.

.

.

De ganzen achterna

.

.

Soms wacht je ergens op
als op een vertraagde trein.
En tussen de gelaten menigte
is er niemand die iets zegt
waarom hij laat is en
of hij nog komt.

Je kijkt om je heen
verloren in het moment.
Tussen uitdrukkingsloze gezichten
valt het vuurrode blad
van een esdoorn.
Waar wachten we eigenlijk op

Er vliegt een groep gakkende ganzen over
Verwachtingsvol kijk je omhoog
en ziet het ritme van klappende vleugels.

Weg zijn ze alweer.

De menigte blijft staan
als een lamgeslagen lichaam
met duizend dromende ogen
die in ‘t geheel geen ganzen zien.

Je kijkt naar je wandellaarzen
die stevig staan op kletsnatte klinkers
je voelt je vragende voeten.

Energie stroomt waar beweging is.
Kom,
je wacht niet langer,
je gaat lopen.

De ganzen achterna.

.

.

Een knipoog uit de hemel

.

.

Ik heb deurknoppen gemaakt van schijfjes hout. Grote schijfjes van meranti en kleine van essenhout eronder. Alles is klaar. Ze zitten hartstikke vast en ik kijk er tevreden naar. Op de vensterbank ligt nog wat. Ik heb vier schijfjes meranti over. Ik kijk naar boven. Op de hoekplank, vlak bij mijn hoofd ligt een mannetje, een mannetje van hout, met een zwart hoedje op en beentjes van ijzerdraad, omwikkeld met touw. Hij zit op een stukje rondhout, maar hij valt steeds om, al zet ik hem recht.
Zonder er bij na te denken zet ik het mannetje op een strook hout. Ik prik twee schroeven door de houten schijfjes, dat zijn de assen. Dan plak het mannetje er op. Nu heeft hij een wagentje. Zijn hand is er af. Ik maak een nieuwe hand van constructielijm en boetseer er een opgestoken duim in.

Ik zie er mijn overleden lief in. Hij is het. Ik geef hem een knipoog. Hij krijgt een ereplek.

Een paar uur later komt de kachel aan, gevonden op Marktplaats. Ze zijn hem komen brengen. De kachel wordt door twee man in mijn wagen gedragen. Ik bedank ze voor hun hulp. De kachel staat nu onder het mannetje, het mannetje met de opgestoken duim. Als de mannen weg zijn haal ik het lelijke glimmende sierstuk van de deksel af. Zonder vind ik mooier.

Tot mijn verrassing zie ik in de roestige deksel eronder de afbeelding van een vuurspuwende draak. Ik ben blij verrast. De draak, die hoort bij mijn lief, ik heb hem ontmoet toen hij in een drakenpak zat, en de mensen uitdaagde, door heel lief tegen ze te doen. De onthutste mensen stonden ergens in het publiek en keken naar Morrisdansers. Mannen dansten met zakdoeken en zwaaiden met stokken. Muzikanten speelden vrolijk langs de kant. En vlak daarbij zag ik mijn lieve draak.

En nu zie ik hem weer. Op de deksel staat een draak. Ik ga met mijn vinger langs de lijnen en waar ik langs ben geweest licht het roest extra oranje op.

 

Op dat moment word ik verrast
door een geliefd geluid.
Ze zijn er weer,
na heel lang weggeweest.

Twee-en-vijftig wulpen vliegen over.
Het lijkt of ik de groeten krijg

We hebben hem gezien, hoor ik.
Hij voer van wolk naar wolk, o ja,
van wolk naar wolk naar wolk!
Dat roept de wulpengroep

Ze maken een rondje
om de plek waar ik nu sta
om dan weer terug te vliegen
in de richting
vanwaar ze kwamen.

Ik kijk ze ontroert na.
Dit was zowaar
een vette knipoog
uit de hemel.

.

.

Het paadje dat niemand kent

.

 

.

“Mensen denken nog stééds dat het mijn doel is, om een reizend bestaan te gaan leiden!” Ik kom uit de woonwagen en kijk naar Dick, die Tijl Uylespiegel leest op het bordes. “Zelfs al volgen ze me jaren, toch lezen ze mijn verhalen vaak met de bril die ze bij aanvang hebben opgezet.”
Dick kijkt op en lacht. “Ja, dat klopt.” Mijn vriend is journalist van beroep. Journalisten weten dat. “Mensen lezen vaak een heel ander verhaal dan jij geschreven hebt.”
Ik knik. “Toch kan het anders. Als je zelf niet teveel wilt en rust hebt, dan kan je je beter open stellen voor wat iemand echt wil zeggen.”
“Ja, dat is misschien wel zo…” zegt hij, “ het kan dat je dan meer opneemt.”
Ik kijk naar de lucht waarin een vliegtuig rond cirkelt, in de wacht voor landing op het vliegveld in Eindhoven.
“En dààrom ga ik nu géén reizend bestaan leiden, ” roep ik uit. Iedereen reist maar rusteloos van hot naar her, waarom zou ik daar aan mee gaan doen? Laat dat bij deze duidelijk zijn, in zo’n onrustige wereld waarin iedereen van alles wil en zo nodig ergens heen moet, ben ik waar ik bèn. Alsof het zo leuk is om in die hectiek op de weg te zijn. Dat doe ik in elk geval niet voor mijn lol. Reizen is op dit moment geen doel voor me, maar bijzaak. Ik ben waar ik ben en ik houd het klein en eenvoudig.“

 

Ik denk er vaak aan. De wereld om ons heen is bijna confuus van onophoudelijke beweging, die steeds sneller lijkt te gaan, virtueel of concreet. Reizen of vermaak, het moet steeds verder, steeds gekker, om de sleur te doorbreken.
Vroeger waren er Dominicanen. Het waren monniken met de gelofte van eenvoud en bescheidenheid. Nog steeds zijn ze er, maar niet veel. Die monniken doen ook een stabiliteitsgelofte. Ze zullen altijd blijven waar ze zijn, in hun klooster. Door hun rust en concentratie konden ze grootse dingen tot stand brengen. Hele bibliotheken brachten ze bij elkaar en in de kunst en de wetenschap hebben ze veel bijgedragen.
Maar niet iedereen heeft een gelofte nodig om te blijven waar hij is. Hele volkeren wonen al eeuwenlang op dezelfde plek en nu nog steeds! Westerlingen vinden dat zo bijzonder, die willen van ze leren. Ze willen zien, hoe ze zo in harmonie kunnen leven met hun omgeving. Om dat te zien maken ze de ene reis na de andere, met de meest verschillende bestemmingen.

Toch, de enige plek om het in praktijk te brengen, dat is thuis. Eigenlijk weet iedereen dat wel. “Aarden”, noemen sommigen het. Er zijn zelfs cursussen voor. Maar in wezen is het heel simpel. Het is zo simpel, dat je het zomaar weer over het hoofd ziet.

Alles kan veranderen. Ik weet niet welke wendingen in aantocht zijn. Misschien dat eens de wereld zo verandert, dat er meer rust zal zijn om als voetganger vanuit ons eigen landje de wereld te verkennen. Misschien zijn er dan overal bloemrijke brede bermen omdat er geen geld is voor onderhoud. Dat vind ik helemaal niet erg. Je kan dan vast heel mooi wandelen en er kunnen weer paarden grazen. Maar mocht dat nog een een poosje duren, ik kan altijd klein beginnen. Want misschien hoef ik nergens op te wachten. Misschien zie ik ergens een heel lief paadje. Het mooiste paadje van de wereld. Dan ga ik daar fijn wandelen. En ik zal het elke dag begroeten in de ochtendzon.

.

 

Lief slim paadje
wie weet,
waar jij nu bent

en al eeuwen
wacht op mij

oeroud kronkelpaadje
dat niemand
nu meer kent

omdat je
pal voor de voeten verdwijnt
van wie haastig hijgend rent
immer op weg naar ergens.

.

.

 

 

 

 

.

.

Vraag aan jou,

Weet je een nieuwe plek voor mij en mijn woonwagen? Voorlopig leid ik een semi-nomadisch bestaan. Ik blijf ergens zolang als het nodig is. Ik houd van plekken waar creativiteit nodig is of waar je inventief moet zijn.

Ik leer veel van beestjes en plantjes. Ik let graag op eetbare soorten en kijk naar verbanden.

Ik kan bouwen aan iets moois. Ik houd van zingen, zuiver en meerstemmig, maar net zoveel van meeslepende ritmes, slome jazz en eigenzinnige liedjes.

Ik houd van onverwachte ontmoetingen met telkens andere mensen. Behalve dat ik er gewoon van geniet,  krijg ik er goeie ingevingen van, voor schrijf-, teken- en filmwerk.  Ik houd van vieze handen en lekker doorwerken in een rustig maar gestadig ritme. Of het nou ijskoud is of heel warm, dat maakt me niet uit. Als mijn voeten maar droog blijven.

Ik wil mijn wagen het liefst meerdere functies geven dan alleen wonen en zie het als een uitdaging om dat compact en efficiënt in te bouwen. Bijvoorbeeld als koek en zopie of mini-solarbioscoopje met filosofische naborrel. Hoe klein kan het!

 Vandaag, woensdag 2 augustus en morgen, 3 augustus, ben ik in de buurt van Zutphen om te kijken op Natuurcamping Wientjesvoort Zuid. Het zou leuk zijn als ik op mijn verkenningstocht nog meer mensen kan opzoeken. Ook als niet alles wat ik noem er is, laat van je horen, ik ben hoe-dan-ook benieuwd! ❤

ALOWIEKE  06-23207532      of       tt.alowieke@gmail.com

.

.

.

Wijsheid van José Munica, president van Urugay van 2010 tot 2015, bekend als “The worlds poorest president.” Pleidooi voor de vrijheid, die uit eenvoud groeit.

Al lachen ze om me

.

.

Er wordt gekeken. Als je het leven anders leeft dan de rest, dan is dat één van de consequenties. Dat je te kijk staat. Voor de één ben je hartstikke gek, voor de ander een exoot, of het gedroomde ideaal.

Ik zit in mijn nachthemd op de rand van het bed en kijk door de halfgeopende deur. De zon staat laag aan de ochtendhemel en schijnt recht naar binnen. Er hangt een waas van ochtenddamp en het gras is nat van dauw. Een stuk verder op de camping, onder de bomen van de kleine boomgaard, staan twee fietsen en een half ingezakt tentje. Een man kruipt op zijn knieën door het gras en verzamelt haringen. Een vrouw staat met de rug naar hem toe en staart naar mijn wagen. Het zal er vast mooi uit zien, in het goudgele licht. Ik negeer haar blik en spring van het hoge bed af. De vrouw ziet mij nu opeens en alsof ze zich betrapt voelt, draait ze zich om.

De zon klimt hoger de hemel in en het wordt al snel warm en benauwd. De fietsers zijn allang vertrokken. Ik heb het bed opgeruimd en nu verlang ik naar koel, stromend water om mezelf op te frissen. In de doucheruimte is iemand bezig. Ik hoor het geraas van een oude stofzuiger. Daar heb ik geen zin in. Dan maar niet douchen. Ik heb een beter idee. Ik ga gewoon zwemmen. Ik gooi mijn handdoek in de fietstas en fiets weg naar het Wilhelminakanaal.

Het kanaal is al in 1983 natuurvriendelijk gemaakt, het was het eerste kanaal met doorlatende damwanden, waarachter waterplanten konden groeien. Er zwemmen meerkoeten, eenden en futen. In het riet broedt de karekiet. Er is ook ruimte gemaakt voor taluds. Jonge watervogels kunnen er de kant op, landdieren kunnen er drinken. Ze zijn verstopt achter het lange gras dat langs het fietspad groeit. Als je het niet weet, dan zie je het niet. Ik weet dat het talud er is, omdat er aan de overkant net zo eentje is, een gat in de beschoeiïng, dat de lange rietkraag doorbreekt.
Ik trek een paar brandnetels uit, die in de weg staan. Ik pak ze onder aan de steel, in het zand bij de wortel, zodat het niet prikt. Kennelijk is hier al een tijdje niemand geweest. Ik zet mijn voet in het water. Het is koud, maar niet hèèl koud. Voetje voor voetje waad ik dieper en dieper en voel de glibberige korrelige steen van het verweerde talud onder mijn voeten. Ik loop tot het diepste punt. Daar kijk ik uit over het kanaal, met het water tot aan mijn middel. Ik zak door mijn knieën en maak een brede schoolslag. Er is niemand behalve ik en kleine rimpelingen schitteren in het licht van de zon. Het is behoorlijk helder, een beetje bruinig van het omgewoelde fijne slib dat op de bodem ligt. Dat is logisch. Dit is een doorgaande scheepsroute, weliswaar niet zo druk bevaren als vroeger, maar toch zie je soms nog grote schepen voorbijgaan, hoog boven het water uittorenend, of diep liggend door hun zware lading. Nu zijn er ook jachtjes, omdat het zomer is. Maar op dit moment is het stil.

Ik heb net een eindje gezwommen, als er twee fietsers aankomen en stoppen, een man en een vrouw. Kennelijk zijn het toeristen, hongerig op zoek naar bezienswaardigheden. Ik zie dat ze hun fiets op de standaard zetten. Zonder een woord te wisselen, gaan ze naast elkaar naar mij staan kijken.
Ik kijk verbaasd naar de oever. De vrouw tilt het fototoestel op, dat op haar buik hangt en maakt een foto, terwijl ze haar blik niet van me afwendt. Even ben ik verontwaardigd, maar dan denk ik, wat maakt het ook uit. Als ze dan toch kijken, dan doe ik voor de show ook maar een balletbeen, zoals ik dat vroeger bij kunstzwemmen heb geleerd. Strak pijlt mijn rechterbeen boven het water uit, voor ik het sierlijk terug sla en wegduik in het water. Dan zwem ik terug naar de kant. Ik voel hun blikken maar negeer het. Pas als ik mijn handdoek pak, zie ik ze verdwijnen. Ik hoop dat ze tevreden waren met de show.

 

Als het maar bij me hoort

Kleine rimpelingen
in het zonlicht,
een stille schoolslag
in verlaten water
en niets dan
wuivend riet

Dit alles
is mij liever dan
wat dan ook

Ik hoef geen
strak betegelde gangen
geen chique hotel met bubbelbaden
fonkelend, met blinkende spiegels
behangen

Ik zwem
ik ben buiten

En dan
als ik terug fiets
en mijn wonderhuisje zie
Dan is er niets
of niemand
rijker dan ik.