Lang leve de bezielde pionier

Met aan het slot nieuws over een leuke ontwikkeling.

 

.

                                                                     De bezielde pionier

 

Een groepje mensen klopt aan bij de gemeente. Ze zijn geïnspireerd om het anders te doen en willen leven op kleine voet: Wonen in hun eigen Tiny House. Zo goed mogelijk leggen ze uit wat de bedoeling is. Dan horen ze dit: “We willen een heel strak beeld van wat een Tiny House is, voor we met jullie in zee gaan.” Ze zullen niet de eersten zijn, die hun tanden stuk bijten op zo’n eis.

.

Het is ochtend. Ik heb net mijn oefeningen gedaan en sta fris en helder achter mijn laptop. Ik kijk naar mijn berichten, gooi de helft er ongezien uit en vind een uitnodiging van een vriendin. “Ga je mee naar de open dag van een Tiny Houseproject?” Ik kijk ernaar en zie dat het in de buurt van Den Haag is. Vorige week begon er ook al iemand over. Misschien moet ik er toch maar eens naar toe. Ik weet dat er een plek vrij is en je weet maar nooit hoe een balletje rolt.

Ik schrijf een korte brief. Ik ben geïnteresseerd in de mogelijkheid om aan te schuiven. Kan het nog? Ik plaats er een mooie foto bij van mijn huisje.

Het antwoord komt snel. “Nee, we hebben al een gegadigde en bovendien zoeken we een ander soort Tiny House. Warme groet.” Verbouwereerd staar ik in de verte. Het is nu de tweede keer dat ik zoiets hoor. De warme groet helpt maar weinig aan het feit dat ik me in de kou gezet voel. Wat krijgen we nou, ik heb een paar maal het gedachtegoed van het kleine wonen vertegenwoordigd, met volle overtuiging. En nu krijg ik deze afwijzing. Ik vraag me af waarom.
Is wat ik maak te kleurrijk, te authentiek? Daar ben ik dan mooi klaar mee. Ik wil niet worden weggezet aan de rand van de samenleving, als een veel te unieke paradijsvogel. Ik wil er middenin staan. Ik wil dat nog veel meer mensen dit kunnen doen. Een rijk en veelzijdig pallet van bedrijvige enthousiastelingen, dat wil ik zien. Ik meende dat ik met mensen te maken had die hetzelfde dachten. Blijkbaar is dat niet zo.
Is er zoveel verschil tussen hen en mij? Ik gebruik dezelfde eco-materialen. Ook ik heb een dikke laag isolatie van schapenwol, zonnepanelen, een lithium-ion accu en een infraroodpaneel voor kille zomerdagen. En straks komt er een grote opvouwbare zak onder mijn huisje voor opvang van regenwater. Ik kan het zuiveren tot drinkwater met een nanofilter. Ik kijk, ik onderzoek en vertel er over, zodat anderen er ook wat aan hebben.
Met al die dingen zijn ook deze Tiny House bewoners bezig. En toch mag ik hier kennelijk niet meedoen, niet onder deze, steeds populairder wordende naam.

.

Elke creatieve vernieuwing die de maatschappij omarmt, wordt in regels vertaald. Gemeentes en instanties willen wel meedoen, als ze ermee kunnen scoren. Steeds meer wordt gezocht naar wegen voor een groen imago. De omarming van die nieuwe ontwikkelingen gaat vaak gepaard met controledrift. Er moeten wèl scherpe voorwaarden zijn! De eerste emotie is angst, angst voor excessen. “We willen een heel strak beeld van wat een Tiny House is, voor we met jullie in zee gaan.” Goed bedoelende pioniers zullen op deze eis hun tanden kapot gebeten hebben. Mensen worden uitgekozen of buitengesloten. Het eenvormig korset perst de ziel eruit. Stukje bij beetje kwijnt de creativiteit en hapert de hartslag. Het zal niet de eerste keer zijn dat dit gebeurt. Wanneer er grotere belangen in het spel komen, verandert alles.

.

Ik schrijf een bericht naar een vriendin. Zij is anders. Ik weet dat ze me begrijpt. Ze is al jaren bezig een nomadendorp voor elkaar te krijgen, in Friesland. Ze blijft scherp haar Poolster in de gaten houden, het vrijheidsideaal wat ze vóór zich ziet. Een wereld waarin creativiteit juist wordt omarmd en beloond, in plaats van ingepakt en weggezet. “Hoe is het met je dorp, komt het er nog? Ik zou er bijna gaan wonen, als het er was. Je bent een echte vrijdenker Irma! Dat mag ik aan je.” Dat schrijf ik haar.

“Dank voor je compliment!” schrijft ze terug. “Ons project is bijna helemaal rond: Frijlân. We zijn een groep vrouwen die creativiteit, zelfredzaamheid en samenwerking willen. We hebben elkaar hierin gevonden. Wat je beschrijft ervaar ik ook zo. De grotere partijen gaan aan de haal met wat we eigenlijk in essentie zoeken en willen: kleinschalig wonen met een minimum voetafdruk. En niet grondgebonden. Jij bent voor mij juist iemand waar we heel veel behoefte aan hebben om te laten zien. Je bent voor ons een inspirerende persoon die meer dan welkom is! Je vertegenwoordigt waar wij voor staan. Je bent dus van harte welkom om langs te rijden en wie weet… Glimlachend lees ik haar woorden. Heerlijk. Na de koude douche van zojuist, is dit een warm bad. Kon het altijd maar zo zijn…

.

Hoe kan ik met mijn werk meehelpen aan een veelkleurige, menselijke wereld? Ik denk er de rest van de dag aan en de hele nacht daarna. Na twee uurtjes slaap kom ik tot een eenvoudige conclusie. Ik maak wat ik maak. Wie het ziet, ziet het. Het zal hoe dan ook zijn werk doen.
Ik denk ook na over de afwijzingen die ik kreeg. We hebben allemaal te maken met de gevestigde orde en regels. De keuzes die we maken zijn lang niet altijd de onze. Hoe lang houd je het vol op jouw eigenwijze weg? Ik hoop dat mijn blog daarin een stimulans kan zijn. Tegelijkertijd ben ik een generator. Ik hoop door wie ik ben en wat ik schrijf, energie te kunnen geven aan wie het nodig heeft, op zijn of haar unieke weg.
Sommige mensen hebben als pionier een zware taak gekozen. Juist hèn draag ik nu een warm hart toe en ik ondersteun ze graag met dit verhaal.

Eén zo’n pionier is Jos de Blok van Buurtzorg. Waar hij zijn schouders onder gezet heeft in zijn eentje, dat is ongelooflijk. In dit interview van Tegenlicht kun je hem zien en horen. “Zorgeloos leven volgens Jos de Blok”, zo heet het.

 

Bekijk de uitzending

.

NIEUWS

Ik heb de eerste prijs gewonnen met een fotowedstrijd van Milieudefensie. Het thema was “Eerlijk omkeren”. Het is een foto van mezelf in mijn mini-huis. Ik noemde deze afbeelding:  “Mijn heerlijke wooncocon.” De foto, inclusief vijf begeleidende volzinnen, komt in het tijdschrift “Actief” in december. Als het zover is laat ik het zien.

 

Lees hier over de wedstrijd

.

.

Advertenties

Nacht van wording

.

.

Ik zit beroerd en misselijk op de bank. Zelden ben ik ziek, maar nu heeft het me toch te pakken. Af en toe probeer ik kokhalzend een hap waterige haverpap met lijnzaad naar binnen te werken. Je moet toch wat. Lijnzaad doen ze ook door het voer van paarden als ze iets hebben. Dus moet het bij mij ook werken. Als ik mezelf zielig begin te voelen dan denk ik aan een zwerver. Die zit in een kartonnen doos onder een brug. Ik woon in een fijn zelfgebouwd huisje. Met die gedachte leg ik mijn hoofd berustend in het kussen en slaap weer in.
Ik slaap de hele nacht en ook overdag. Ik laat me weg zinken, dompel er in onder. Elke keer als ik mijn ogen opendoe, voel ik me weer een stukje beter. De ene dag na de andere gaat voorbij. Tot er vier dagen om zijn en de vijfde nacht aanbreekt. Die nacht gebeurt er iets bijzonders.

Ik sta bij een poort. Binnen hoor ik muziek. Het is feest. Overal zijn mensen, er binnen en hier buiten. Verlangend kijk ik door de openstaande deuren. Ik heb mijn handen nog vol bouten en moeren van het bouwen.
Een forse vrouw met een lange rok ziet me staan weifelen en begrijpt me direct. “Gooi hier maar neer. Wij sorteren ze wel,” Er liggen er al veel meer, schroeven, bouten, moeren, netjes gesorteerd in bakjes. Ik gooi alles erbij en daarna voel ik me een stuk lichter. Blij ga ik naar binnen.

Meteen beland ik middenin een zaal met wervelende danseressen. Daar om heen spelen muzikanten. Ik kijk ademloos naar het schouwspel. Dan fluistert iemand mij iets toe. Hij staat in de schemering, achter de coulissen. “Het is jouw tijd nog niet, jij komt straks pas. Je hoort dáár.” Hij wappert met zijn hand en ik kijk opzij. Er zit een rij jongetjes op een gymbank. Ze hebben bruine pijen aan. Ik ga bij ze zitten, aan het einde van de rij. Nu pas zie ik dat ik ook een bruine pij aan heb, die niet eens zoveel verschilt van de hunne. Hij is gemaakt van de stof van het dekbed waar ik altijd onder slaap. Vlak naast me zit een hèèl klein jongetje. “Nu moet ik op!” roept hij opeens met heldere stem. Hij springt overeind.
Ik geniet van de wervelende energie van de dansers. Ik geniet van de jongens die geconcentreerd en vol spanning toekijken. Iedereen heeft zijn eigen plek. De voorstelling lijkt eindeloos veelzijdig. Met glimmende ogen kijk ik het kleine jochie na. Daar gaat hij, met ferme passen het toneel op.

Ik wacht nog even, voor ik mijn ogen open doe. “Zou ik straks òòk op mogen, ” vraag ik me slaperig af. “En wat leuk dat ik tussen die jongetjes zat in mijn bruine pij. Eigenlijk is dat ik ben, een levendig jochie en een monnik tegelijk. Maar ik ben ook de forse vrouw, die bouten en moeren sorteert en mensen verwelkomt. Ik ben als de dansers, die dansen tot de dag begint. Ik ben het allemaal.

Ik kijk tussen mijn wimpers door naar het lage ochtendlicht dat door de deur schijnt. Ik neem een slok water en voel hoe het frisse vocht mijn slokdarm in glijdt, rechtstreeks mijn arme maag in, die al vier dagen voelde alsof er een klomp ranzig vet in zat. Ik drink het glas helemaal leeg en zet het neer op de plank. Het prille licht door de deur maakt mijn huisje goudgeel en oudroze. Alles verandert in een ander licht. Misschien is het wel nodig, ziek zijn en herboren worden. De zon stijgt hoger en verdwijnt achter de dichte luiken, die voor mijn ramen zitten. Ik strek me een paar keer en klim opgewekt mijn bed uit. Het wordt een heerlijke nieuwe dag.

.

.

 

 

 

 

Wat is vrijheid in je eentje

.

.

Vrijheid is geen vanzelfsprekendheid. Voor niemand. Het is een spoor, dat alleen gemaakt kan worden als meerdere voeten het betreden.

En hier sta ik nu, in de deuropening van mijn zelfgebouwde woonwagen. Ik kijk naar het vochtige gras in de avond. De lucht kleurt oranje aan de westkant, boven de bomen van de vijver. Die rust! Ik geniet er nog steeds van.
Het voelt als een bevrijding, een leven met weinig bezit, te wonen in mijn eigen kleine huis op wielen. Ik kan gaan waar het leven me brengt. Ik kan ook blijven waar ik ben. Ik ben vrij. Dat dacht ik. Maar is dat zo? Vandaag kwam er een vrouw, die me aan het denken zette.

Ik wist dat ze zou komen en nu is ze er. Een vrouw met lang blond haar, ergens in de dertig. Ze maakt een tocht langs allerlei adressen, om rond te kijken. Ze heeft een plan en wil weten of het kan. Mijn blog heeft haar bij mij gebracht en ze vertelt enthousiast wat haar bedoeling is. Ze zal haar eigen huis gaan bouwen, een klein huis op wielen. Terwijl ze erover vertelt, zie ik ook twijfel in haar ogen. Kan ze het wel? O, ze heeft vast en zeker hulp nodig! Iemand met kennis van zaken… En waar zal ze het gaan doen? Ze wil graag in de buurt zijn van haar vrienden, of dichter bij haar lief.
“Mijn vriend heeft het heel druk,“ vertelt ze nadenkend. “Hij wil graag zelfstandig worden, dingen gaan maken die hij echt wil, meubelen van staal. Maar hij durft niet. Nu verdient hij goed, met zijn baan. Hij heeft er veel spullen van gekocht, een boot, een loods, een camper, een auto, en die spullen kosten een hoop geld. Hij heeft dat geld nodig. Maar hij wil zo graag vrij zijn, ik zie zijn ogen glimmen als hij het er over heeft…“
Ik luister aandachtig. “Misschien kan jij hem inspireren, als je je eigen huisje gaat bouwen.”
Ik zie een vonk van hoop in haar ogen. “Ja, als ik hem kan laten zien dat het kàn!”

Laten zien dat het kàn. Dat heb ik gedaan. Ik heb er verhalen over geschreven en gemerkt dat er veel meer mensen zijn met dezelfde droom. Maar hoe nu verder? Moet ik nu in mijn eentje mijn gewonnen vrijheid gaan vieren, is dàt het dan??

Met deze vraag nog in gedachten, zet ik de radio aan. Het is zeven uur, tijd voor mijn favoriete programma, Passaggio, op Radio 4. Lex Bohlmeijer, de presentator, begint altijd met iets te vertellen wat hem die dag raakt. Dit maal is het een boek. Wat hij vertelt treft mij. Terwijl ik luister, vervaagt het beeld van de blonde vrouw, die ik vandaag sprak. Het maakt plaats voor een zwarte vrouw en ze leefde meer dan 150 jaar geleden in het verre Amerika.

“Harriet Tubman and the Underground railway”, zo heet het. Het gaat over een vastberaden vrouw, die zich losmaakt uit een leven van slavernij. Ze maakt een levensgevaarlijke tocht door moerassen en langs rivieren. Door de modder bereikt ze illegale treinen, die ‘s nachts door het land rijden. Bij de stations hebben haar contactpersonen haar komst al voorbereid. Alleen al om die treinen te bereiken, dat is een hele opgave.
Als ze na een lange, barre tocht de vrijheid in het noorden heeft bereikt, weet ze dat ze terug moet.

Vrijheid in je eentje is geen vrijheid. Ze weet het zeker.

Ze gaat terug om ook haar vrienden en familie op te halen. Elf keer gaat ze terug en neemt honderden anderen mee. Ze reizen bij nacht. Ze lopen door het water zodat de bloedhonden hun spoor niet kunnen volgen. Ze zingen spirituals om elkaar te laten weten dat de kust veilig is. “”Go down Moses” zingen ze, en al zingend geloven ze er in. Hun vrijheid gloort aan de horizon, als de opkomende dageraad.

Vrijheid is geen vanzelfsprekendheid. Ook voor ons niet. Het is een spoor. Het is een spoor dat loopt langs mensen waarvan je houdt en die van jou houden. Het is als een land dat we zelf moeten maken, los van de kille berekenende wereld. Het is een route die je zelf helpt uit te zetten, door je te verenigen met gelijkgestemden. Door het verhaal te vertellen, het lied te zingen, dat herkenning vindt. Dàt is het spoor, dat vrij maakt.

.

.

.

.

De wolken achterna

.

.

Ik loop rond de werktafel en verzamel een handje vol kromme spijkers. Ik ben weer alleen op de camping en werk aan de luiken, die voor de ramen komen. Ze worden hemelsblauw met een lila rand en zullen me beschermen tegen hitte en kou. Ik sta stil en kijk naar de horizon. De toppen van de bomen staan roerloos, alleen de wolken bewegen. Heel zachtjes drijven ze verder. Gelukkig, denk ik, niet àlles is roerloos.

Wat moet ik met die spijkers? Ze zijn klein en dun en van roestvrij staal. Het RVS is wat zacht voor het harde hout, dat ik voor de vensterluiken gebruik. Ik sla ze steeds krom. Ik had beter staal kunnen nemen. Keihard staal.

Er is geen zuchtje wind. Het maakt me suf. Slaperig gooi ik de kromme spijkers in een afvalemmer. Ik duik onder de wagen en pak het doosje oude roestige nagels. Er zitten er nog net genoeg in. Roestig of niet, deze laten zich tenminste rechtstandig in het hout slaan.

Ik werk tot het schemerig wordt. Ik zaag, ik lijm, ik schroef en ik timmer. Al doende word mijn hoofd helder en zelfs de zachte spijkers gaan er nu  loodrecht in. Ik werk tot ik het vijfde luik af heb. Een lichte bries steekt op. Steeds meer wolken bedekken de blauwe hemel.

De zon zakt als rood goud weg achter de vlierstruik, tussen de takken van de eikenboom en verder zakt hij, achter de meidoornhaag, tot hij alleen nog maar uit gouden vonken bestaat, die schitteren tussen de bosjes.
Ik kijk er naar, mijn handen hangen slap naast mijn lijf. Het is genoeg. Tevreden sta ik naast mijn werk. Vijf van de vensterluiken zijn klaar, ik moet er nog drie. Ik tuur naar de toppen van de bomen. Ze bewegen nu heen en weer in de wind. De wolken drijven verder, op weg naar de horizon. Ze verdampen, regenen leeg of ze waaien uit elkaar door de wind. Gelukkig, er is beweging. Niets staat stil, nooit.

Ik stapel het hout op elkaar, de onderdelen die ik heb afgemeten en uitgezaagd. Ik bedek het tegen de dauw en berg het gereedschap op. Morgen ga ik weer verder. Nog even. Nog even doorwerken. Dan kan ik straks misschien de wolken achterna, wie weet met welke bestemming..

.

.

.

Een welkomstaanbod

.

.

Ik mag bij de camping een stuk grond pachten. Zo’n hartelijk aanbod neem ik serieus. Ik zou hier mijn thuis kunnen maken. Tegelijkertijd schuilt er een levendige ontdekkingsreiziger in mij, die haar werkveld verkent.

“Vernieuwing is een gebrek aan zelfbeheersing”. Dat was het motto van Jan Fisher, eigenaar van hotel van der Werf op Schiermonnikoog. Hij stierf in 2014. Het hotel ademt nog altijd de sfeer die hij bewaarde. Het heeft de charme van vergane glorie. Elke hoek van het gebouw is vol zichtbare geschiedenis. Boven de ingang nestelen elk jaar zwaluwen, die boven de hoofden van de gasten heen en weer scheren. Als je daarna naar binnen gaat, zie je houten tafels en stoelen en overal vergeelde foto’s aan de wand, die herinneren aan vroeger tijden. Je ziet slijtplekken, daar waar talloze malen een hand overheen ging, of waar een achterwerk verschoof. Fisher heeft het hotel wel aangepast aan de moderne tijd, zoals een badkamer bij elke kamer. Maar de sfeer bleef hetzelfde. Zijn dochter is in zijn voetspoor verder gegaan.

Ik moet wel eens denken, aan die uitspraak van hem. Is vernieuwing wel goed? Is het niet beter om alles bij het oude te laten? Nu ben ik hier, op deze camping in Brabant. De koolmezen, de kippen, de mensen, iedereen is er zo aan gewend dat ik hier ben. De kippen zitten ‘s ochtends voor mijn deur te wachten op eten. De jonge koolmezen vliegen piepend heen en weer in mijn buitenkeuken, wetend dat ik zo naar buiten kom. De ooit ingezaaide bloemstroken groeien steeds uitbundiger en hebben een verzorgende hand nodig. De mensen die hier wonen, de eigenaresse, de beheerder en hun kinderen en kleinkinderen, iedereen kent me en ziet me hier al vijf jaar bezig.
Als vernieuwing gebrek aan zelfbeheersing is, dan zou het de boodschap zijn om hier te blijven. Dan zou ik ingaan op het aanbod, dat ik gisteren kreeg, om hier een halve hectare te pachten of te kopen en er mijn thuis van te maken, met voedselbos en al. Dat is nogal wat. Als iemand je zoiets aanbiedt, dan overweeg je de mogelijkheid. Dan voel je je welkom.

Maar wat is thuis? Thuis, ja, dat is mijn woonwagen. Maar op deze plek voel ik me nog steeds een bezoeker. Thuis, dat is waar je je wortels hebt. En dat is voor mij Utrecht. Ik heb daar veel geschiedenis. Toch ben ik er niet tot mijn dood gebleven. Dat ik wegging was voor sommigen een schok. Maar die vernieuwing was geen gebrek aan zelfbeheersing, zoals Fisher het noemt. Soms is het echt nodig. En bij mij was dat zo.
Toen het startschot gegeven werd, zat alles mee. Ik werd gelanceerd. De plek waar ik terecht kwam was mij volkomen vreemd. Ik ontmoette mensen die zo plat praatten dat ik ze niet kon verstaan. En hier ben ik nu, op het platteland van Brabant. Al vijf jaar, op een veld dat bijna al die tijd verlaten is geweest. Die leegte was de ideale kweekvijver voor iets volkomen nieuws. Ik ontwierp en bouwde mijn eigen huisje. Dat is nu bijna af.
En nu heb ik het aanbod gekregen om hier mijn thuis te maken. “We kennen je nu al zolang, zoiets zeg ik niet tegen iedereen,” zeiden ze. Ik ben blij met het aanbod. Tegelijkertijd schuilt er ook een ontdekkingsreiziger in mij, die haar werkveld verkent.

Vijftien jaar lang had ik een rondvaartbedrijfje in Utrecht, mijn thuisstad. Het mooiste was het contact met de mensen. En daar is maar weinig voor nodig. Als je twee uur in tijdloze toestand naast je gasten zit, werkt dat prachtige gesprekken in de hand. En steeds weer anders! Dat begin ik nu te missen.
Dat was ook de reden waarom ik met paarden aan de wandel wilde, niet in de eerste plaats om ergens te komen, maar om het rustige voortgaan. Ik dacht te gaan langs stille paadjes, vergezeld door anderen, aan de grenzen van ons land. En onderweg koken met wilde planten.
De camping waar ik nu ben, ligt dichtbij de grens van België. Helaas zijn ook hier wegen met onverwacht hard verkeer. En juist dat onverwachte is zo link, met paarden. Ik ben veel wijzer geworden, wat dat betreft.

De camping ligt wèl op één van de stilste plekken bij het bos, erg geschikt om in alle rust creatief te zijn, ver van alle drukte. Je kunt van de natuur genieten en groene vingers trainen. Ik denk dat veel mensen hier naar verlangen. Toch, na vijf jaar werken stilte, krijg ik steeds meer behoefte aan bedrijvigheid en uitwisseling.

Wil ik hier een eigen stuk grond? De beheerder heeft gezegd, dat als ik ter afwisseling een tijdje ergens anders heen wil, hij me er wel heen wil trekken. Ik neem nu geen beslissing. Ik haast me niet. En zo luister ik toch een beetje naar het motto van Jan Fisher. Eerst de wagen maar eens afmaken. En dan zien we wel weer verder.

 

De kunst van het durven leven en leren

.

.

We hebben vrijheid nodig, om te kunnen spelen. Maar het is de door onszelf gekozen beperking, waardoor we iets tot stand kunnen brengen. Ongelimiteerde vrijheid is spelen met de dood. Veiligheid, die enkel vanuit angst wordt geboden, werkt verstikkend. (Alowieke)

.

„Tout le monde est….LIBRE!“ roep ik uit en spring van het bordes af. Mijn woonwagen schudt ervan. Mijn vriend leest Tijl Uylespiegel op zijn e-reader en kijkt verbaasd op. „Zeg je dat zomaar? En nog wel in het frans?“ Ik kijk hem laconiek aan en krab aan mijn hoofd. „Tja, ik weet ook niet waarom.“

De dagen er na komt het thema vrijheid steeds bij me terug. Als een boemerang, die ik weggeslingerd heb. Ik lees over onderwijsvernieuwing, wat nu een heet hangijzer is. Er is een groeiende groep mensen die het anders willen, meer vrijheid. Er groeit de behoefte om het korset van zich af te werpen, een bevrijding van de dwang om hoge cijfers te behalen, steeds sneller en sneller en altijd binnen de streng opgestelde lijntjes. De regels dienen het doel niet meer. Het korset jeukt en knelt en staat op springen.

Wat zijn de alternatieven? Ik ga op onderzoek uit en lees de website van de oprichters van de scholen van Iederwijs. Vernieuwers worden al gauw de pas afgesneden. Dat is een feit. Al bij de kiem raakt een initiatief bekneld met vooroordelen, als een klein blommeke dat de pech heeft op te groeien in een veld vol pispotjes. Dat gebeurde met Iederwijs ook. De initiatiefnemers  hebben na de sluiting van hun scholen lang en diep nagedacht over hun succes en ondergang. Ik ben verrast over hun website. Het straalt rust en harmonie uit. Het is opgesteld als een gedicht, met kernachtige zinnen afgewisseld met foto’s. Ik lees het lange verhaal in één ruk uit. Halverwege het verhaal lees ik dit.

Vrijheid alleen geeft geen veiligheid en geborgenheid.

Dat herken ik. We hebben geborgenheid nodig. Dat is één van de redenen waarom ik zo’n fijn huisje heb gebouwd. Niet zomaar een huisje. Nee, op wielen! Nu kan ik overal heen met mijn eigen fijne hol vlakbij me. Mijn eigen huis is een stille plek, waar ik kan schrijven en nadenken. Het is als een buik, die mij koestert wanneer ik dat nodig heb. Zonder dat kan ik niet schrijven zoals ik nu doe. Het is ook de geborgenheid van deze stille plek in Brabant, die maakt dat ik zo vrij ben om mijn eigen kleine huis te bouwen.

Iedereen heeft een eigen plek nodig om zich veilig te voelen. Het zelf te kunnen bouwen is nog mooier. Aan de buitenkant straalt mijn huis eigenheid uit, het is een licht en opgewekt huis en mensen kijken blij als ze het zien. Je ziet er ook de band in, die ik heb met de natuur. Je ziet het van verre. Het huis en ik horen bij elkaar. Zo te wonen, het geeft me een helder en tevreden gevoel. Het is een plek waar iets kan groeien.
Terwijl ik nadenk over vrijheid en geborgenheid, verschijnt er een bericht in mijn mailbox. Het kondigt een stuk van Rutger Bregman aan, op de Correspondent. “Waarom onze kinderen steeds minder spelen.“

Er is een berg aan wetenschappelijk bewijs dat vrij, risicovol spel goed is voor de fysieke en mentale gezondheid van kinderen.

Die zin treft me. Ja! Dat is de andere kant van de weegschaal. Risico’s nemen. Dat willen we ook! We zoeken naar het evenwicht. Geborgenheid en avontuur. Het zijn twee kanten van de medaille.

Ooit had ik een vriendje. Hij was 27, ik was 21 jaar oud. Hij was schrijver, werkte voor de VPRO gids en zat boordevol energie en enthousiasme. Hij had geen school nodig. Hij vond alles zelf uit. Op een dag maakte hij het uit met mij. Terwijl ik met betraande ogen vol ongeloof naar zijn onpersoonlijke, getypte afscheidsbrief keek, was hij al op reis. Turkije was het doel, liftend. Het was eind december. Het was koud in Turkije, maar dat wist hij niet. Elke dag schreef hij in een dagboek, dat na zijn dood werd gekopieerd voor iedereen die het wilde lezen. Hij bruiste van enthousiasme, ondanks de tegenvallende kou. Zijn gedachten namen een hoge vlucht en gaande weg groeide er een idee. Hij zou bovenop de hoogste berg klimmen en een grote steen zoeken. In die steen zou hij beitelen: „Op deze plek is opgericht, de Universiteit van het Leven, 1989,  S.D.“ Met glanzende ogen ging hij op weg.
Hij kwam nooit bij de berg aan. Al liftend kwam hij in aanraking met twee rovers. Ze doodden hem om zijn schamele bezit. Hij kon ze niet verstaan. Hij wist van niks en was vol van onbegrensd vertrouwen. Pal voor de oprichting van zijn Universiteit van het Leven, vond hij de dood.

Ik was wekenlang met stomheid geslagen, toen ik het hoorde. Sindsdien weet ik waar ongelimiteerde vrijheidsdrang toe kan leiden. Het is spelen met de dood. Ik was nog jong toen het gebeurde. Op dat moment heb ik een grote stap terug gezet in mijn drang naar avontuur. Mijn impulsiviteit werd gevoed met gezonde bedachtzaamheid, waardoor ik kon aarden.
Nu is het ruim dertig jaar later. Steeds meer ben ik gaan inzien dat ik het avontuur niet ver weg hoef te zoeken. Het is ook dichtbij te vinden. En thuis heb ik de rust om stil te zijn en na te denken. Er is een balans, waardoor ik kan doen wat ik doe. Het is de ideale mix van avontuur en geborgenheid. Ik nam vijf jaar geleden het risico om de sprong te nemen en alles achter te laten. Daarna vond ik de rust om gewoon in ons eigen landje deze mooie, maar ingewikkelde wagen te bouwen. Het was er allebei. Vrijheid én geborgenheid.

Ik denk dat ons onderwijs dezelfde balans nodig heeft. Het opnieuw ontdekken van nieuwsgierigheid en levenslust. Het nemen van risico’s, breken met dingen die niet (meer) werken, hangen aan de touwen, slepen met dode takken en autobanden. Dat is de ene kant. Maar ook moet het een veilige plek zijn die stilte biedt, voor wie het nodig heeft om na te denken.
Spelen, daar begin je mee, als je een nieuw leven begint. Het is een heerlijke verkenning. En dan komt twéé. Concentratie is nodig, wil je daarna iets kunnen opbouwen wat groter is dan spel alleen. Dat kan alleen als je niet steeds op je hoede hoeft te zijn.
Het is de vrijheid, waardoor we kunnen spelen. Het is de door onszelf gekozen beperking waardoor we iets tot stand brengen.

.

.

Links:

De laatste school sloot de deuren in 2008. http://www.iederwijs.nl/

Eén van de oprichters van Iederwijs, Bas Rosenbrand, is met een nieuw initiatief bezig. http://onzenieuweschool.nl/plans-ideas/tribe/

Een artikel dat veel reacties op roept. https://decorrespondent.nl/7075/waarom-onze-kinderen-steeds-minder-spelen-en-wij-met-een-burn-out-thuis-zitten/1810475583675-6e0c9615

Reactie op het stuk van Rutger Bregman in de Correspondent: http://www.kunstcontext.com/ckv/Reactie%20op%20kinderen%20krijgen%20te%20weinig%20vrije%20tijd%20om%20te%20spelen.pdf

En tot slot: In dit artikel kun je lezen dat Sietse in 1987 de dood vond door geweld. (Op de steen in de tekening heb ik per abuis 1990 opgeschreven, wat voor mijzelf het jaar was dat ik, mede door hem geïnspireerd, de stoute schoenen aan trok en mijn eigen weg ging. ) http://leiden.courant.nu/issue/LD/1987-01-30/edition/0/page/3

 

 

 

.

.

.

 

Almaar lichter

.

De verf van mijn nieuwe buitenkeuken is nog zacht, maar ik wil koffie zetten, met verse geitenmelk. Alles is zo nieuw!  Daar sta  ik, voelend waar de wind vandaan komt, voor het gasstel, met in de andere hand de aansteker.

.

Met twee lege flessen in de hand, sta ik bij de open deur van een kleine koele ruimte. Het is er wit betegeld en schoon. Vóór mij staat een grote roestvrijstalen tank, waarin geitenmelk is opgeslagen. De boer komt aanlopen, een veertiger met rode krullen. Ik groet hem en geef hem mijn flessen. „Ik hoef in het vervolg maar twee liter melk, want ik heb geen koelkast meer,“ zeg ik terloops. Hij kijkt zo verbaasd alsof hij een geit ziet vliegen. „Tja, ja, eeeh… “ stamelt hij, „Het kàn natuurlijk wel…. als het niet goed meer is proef je het wel!“ Ik moet stilletjes lachen om zijn gezicht. „De nachten zijn koud en ze staan in de schaduw. Als het warmer wordt maak ik een kuil,“ zeg ik.
Hij kijkt nog steeds een beetje aarzelend. „Tja, toch zal het wel niet voor niets zijn uitgevonden. Dan moet het vast handig zijn, zo’n koeling.“ meent de boer.
„Vast,“ bevestig ik zijn woorden.“Maar ik vind het leuk om uit te vinden wat er nou écht in de koelkast moet. Het valt reuze mee. Groenten kun je op een koele plek leggen met een natte doek erover. Bladgroenten kunnen in een vaas of kleine emmer met water. Dat gaat prima. Mensen doen tegenwoordig bijna álles in de koelkast! Dat vind ik zwaar overdreven.“
„Ja dat klopt. En sommige dingen mògen helemaal niet zo koel,“ is hij het met me eens.
„Zoals komkommer en banaan,” vul ik aan.
Hij lacht.

Het weg doen van de koelkast is maar één ding. Er is veel meer wat weggaat. Het zijn keuzes die dieper gaan. Vanaf mijn dertigste ben ik veel met materialen en machines bezig geweest. Mijn handen wisten steeds beter wat ze moesten doen en mijn inzicht in de materie groeide. Deze wagen is de kroon, de afsluiting van die tijd en tegelijk een nieuw begin.
Nu mijn wagen bijna af is, rijst de volgende vraag. Wil ik dit blijven doen? Bouwen, schroeven, schaven, zagen en schuren? Wil ik het gereedschap en ijzerwerk, alles wat ik al zolang met me meedraag nóg langer meenemen? Het is een zware last. Een deel ervan is nog afkomstig van de werkplaats van mijn overleden man.

Ik weet het eigenlijk best. Ik kies voor licht. Elke keer weer. Ik geef weg wat ik niet meer kan gebruiken. Handige verzamelaars zijn er blij mee. De oude ELU schaafmachine, de nieuwe cirkelzaagtafel, een paar grote lijmklemmen en de gietijzeren slijpmachine. Ik heb het allemaal in mijn handen. Uiteindelijk komt de Japanse kettinglier aan de beurt… Het is dezelfde waarmee we ooit onze prachtige tuindersvlet van de bodem hebben gehesen en gered. De boot waarmee ik vijftien jaar rondvaarten deed.
Ik kies en kies nog eens. Ik houd de basis bij me. Het moet genoeg zijn voor het dagelijkse werk rond de wagen en in de tuin. Maar ook een zware werkriem met een grote musketonhaak en het lange touw gaan mee. Ik hoop toch nog eens een hut te bouwen in een mooie boom.

Telkens denk ik, nou stop ik met weg doen. En toch blijkt het elke keer nog steeds te zwaar, te veel, wat ik heb. Bij alle keuzes die ik maak, bepaal ik mijn toekomst. Door het één uit te sluiten, worden andere wegen geopend. Ik verlang ernaar licht te zijn, met gemak te kunnen bewegen. Liever deel ik al mijn ervaringen in ideeën, tekeningen en verhalen, dan om verder te trekken als een rijdende werkplaats. Dit doel wil ik scherp houden. Dàt is belangrijk. En bij elke kist die ik wegdraag, komt mijn volgende bestemming dichterbij.

Als ik het moeilijk vind, dan denk ik dit: Er zijn mensen die kiezen voor lichtheid en anderen zijn verzamelaars. Mocht ik ooit helpen bouwen aan een natuurtempel, gemeenschapshuis of huttendorp, dan is mijn ervaring en souplesse méér waard dan dat ik allerlei materiaal meesleep. Bovendien kan ik kijken en luisteren en heb geduld. De verzamelaars hebben de spullen. Zo heeft iedereen zijn taak. Dit te beseffen, dat helpt mij kiezen. Samen dóen we het.

.

Kiezen is niet mijn liefste ding
maar een springer kiest voor matiging
De piste schoonmaken is wat ik doe
om straks en ik zal weten hoe,
op beide voeten klaar te staan
en voor de volgende sprong te gaan!

                        .

                        .

                       .

                       .

Zomaar verhuisd

.

 

De lente is de tijd van nieuw begin. Dromen, in de winterstilte uitgegroeid tot plan, breken open als een dikke knop van een jonge loot en beginnen te groeien. Onafgesproken komt alles tegelijkertijd.

Ineens is het gebeurd. Het leek zo te moeten. Ik ben verhuisd. Het was helemaal niet mijn bedoeling, het was kennelijk zo ver. De stoffeerder heeft de kussens gebracht. En toen ze er lagen, was het gelijk een echt huis. Het huis lokte mij. „Weet je wat,” dacht ik, „ik breng er vast wat boeken naar toe.“ En na de boeken dacht ik, ik kan er ook wel wat kleren heen brengen. Zo ging het.

Met armen vol loop ik heen en weer over het veld, van mijn ene wagen naar de andere. De nieuwe is veelbelovend en blauw als de lucht van een winterse zonsopgang. De oude ziet er een beetje haveloos uit. Hier en daar bladdert de roodbruine verf en de ramen zijn vuil. Ik heb haar de laatste tijd verwaarloosd. Mijn eigengebouwde huis werd almaar mooier. Hoe dichter bij de verhuizing, hoe meer ik het verval negeerde van dat, wat ik achter zou laten. Ik verlangde naar mijn nieuwe leven.

.

Het verval van het oude, verlangend naar nieuw leven

.

Wat voor de één een vervagend leven betekent, is voor de ander een unieke kans. De vernieuwing van mijn oude wagen staat al op de drempel. Er is iemand wiens handen jeuken om aan de slag te gaan, te krabben en te schuren en blauwe luchten en bloemen er op te schilderen.
Want de oude wagen is eigenlijk al niet meer van mij. De nieuwe eigenaresse wacht tot ik klaar ben. Hoeveel geduld heeft ze nog? Terwijl ik steeds vaker heen en weer loop komt ze bij toeval aanlopen. „Mag ik even in de wagen zitten om te voelen hoe het is?“ vraagt ze „Dan kan ik vast een beetje aarden.“ Ik zeg lachend dat ik het prima vind en dat ze precies op het juiste moment komt. Ik roep haar na dat het al een stuk leger is, daar binnen.

Leegte is belangrijk voor het fantaseren. Ik houd van leegte en gun iedereen die stille veelbelovende en uitnodigende ruimte. Ruimte om dromen uit te werken.

 

Kristallen voor het raam

.

De lente is de tijd van nieuw begin. Dromen, in de winter sterk geworden, breken open als een dikke knop van een jonge loot en beginnen te groeien. Onafgesproken komt alles tegelijkertijd. Het is als dominostenen, die met zorg zijn neergezet door een onzichtbare hand. Ineens beginnen ze te vallen. Eerst eentje. Dan de volgende. En dan gaat het opeens snel. Dat is het moment. Zonder veel moeite kan er veel tot stand worden gebracht. Gewoon, omdat het er de tijd voor is. Ik ben één zo’n steentje in een heel groot veld, nietig als een zandkorrel maar tegelijkertijd is mijn bestaan net zo essentieel als een zonnestraal. Ik sta precies op de juiste plek en waarom dat weet ik niet. Ik maak er wat van, zie alles als een uitdaging en geniet. Ik werk, ik kijk, ik schrijf. Ik ben.

 

Zithoek te transformeren tot bed. Ontbrekende deel hangt er boven, met de transparante plaat er in, is het ook te gebruiken als tafel. Het ontbrekende stuk matras staat rechtop onder de linkerbank, net te zien op eerste foto.

.

Alles werkt zoals ik het bedacht had, alleen moet er hier en daar nog wat bijgewerkt worden. Als dingen in gebruik genomen worden, blijkt het soms net ietsje anders uitvallen dan berekend. Zo zakt de bedbalk iets meer door dan ik dacht, waardoor het ene kastdeurtje klemt als er iemand op zit. Het zijn maar een paar dingetjes.

Inmiddels is een groot gedeelte van de spullen over, vooral boeken en kleren. Het is verbazingwekkend hoeveel ik kwijt kan zonder dat je er iets van ziet. En ik heb nog steeds een hoop ruimte over! De grote kast onder de vloer is nog steeds helemaal leeg. Daar komen straks gereedschappen en kampeerspullen. De keukenuitrusting moet ook nog, maar daarvoor maak ik een lichte kist, die ik open kan klappen tot buitenkeuken.

 

.

Nu ik ben verhuisd en de lampjes kunnen branden, lijkt het of het af is. Maar er is nog steeds veel te doen. De raamluiken, het egaliseren van het dak, het verbeteren van het energiesysteem en nog veel meer. Iets wat klein is, een huis of een ander ding, is niet per definitie minder werk. Zeker niet als het een huis is dat 23 luiken of deurtjes heeft die open kunnen. Alles moet perfect kunnen sluiten en niets mag elkaar in de weg zitten! Bijna ongelooflijk dat dat kan, in een huis van zes vierkante meter!

.

.

.

Diepe duizelingen

Het omhelzen van de draak

.

.

Hoe heb ik mijn vrijheid gevonden? Het is een opéénvolging van keuzes, die het schier onmogelijke omhelzen. Als angsten duvels blijven die gedood moeten worden, leren we ze nooit echt kennen. Maar wanneer we ze uitnodigen in hartelijk licht en liefde, blijkt er iets wonderlijks te gebeuren. (Alowieke)

.
Ik word wakker. De zon staat al hoog aan de hemel en ik zie dat het kwart over acht is. Zonder aanleiding krijg ik een gedachte. Dat heb ik vaker ’s ochtends, als ik nog niet in beslag genomen wordt door dagelijkse bezigheden.

Ik schrijf het gelijk op, voor de gedachte weg is. Het is als één van de appelen aan een boom. Ze hebben mijn leven lang gerijpt. Nu ik de vijftig ben gepasseerd hangen de appels glanzend en met rode wangen aan de takken. Ik neem de tijd om ze te plukken. Niet voor niets heb ik radicale keuzes gemaakt, ben ik een volkomen nieuw leven begonnen. Ik deed het om tijd en ruimte te maken. En nu? Ik pluk en geef ze een plek om ze te delen.

 

Het omhelzen van de draak

.
Misschien is dat het verschil wel
tussen die dagen van vroeger en nu.
Toen gaf de koning het bevel
de draak te doden aan ridders te paard
die stortten zich dan in een vurige hel.

Maar tegenwoordig, de dag van vandaag
hangt aan elke grote klok
kent ieder het antwoord op de vraag
hoeveel koppen, ogen, werveltjes…
Verstand smoort doodsangst in de maag

Toch begint alles anders te lijken
Langzaam lijken de duisters te wijken
zo vraag ik mij verwonderd af

Stel dat die draken konden zingen
met stemmen uit al hun zeven koppen
als al die draken zingen gingen
hun schubbige schouders in liefde omarmd
hun lied omringt dan de lelijkste dingen

Stalen stoerheid kan vervagen
ridders met hun heldendom
ze winnen niet, zijn niet verslagen
hun harnassen zijn zwaar en stom
niemand die ze nog wil dragen

De warme bas van de drakentong
O, laten we de draken vragen

Om te zingen!

 

.
Dit gedichtje, zo licht en speels van aard, heeft diepe gronden. Het vertelt  over het transformeren van schaduwkanten. Als onze angsten duvels blijven die gedood moeten worden, leren we ze nooit echt kennen. Maar wanneer we ze uitnodigen in hartelijk licht en liefde, blijkt er iets wonderlijks te gebeuren.

Ik zag mijn draak onder ogen toen ik vijf-en-twintig was.

Op nieuwjaarsochtend 1991 om acht uur werd ik frontaal aangereden op een totaal verlaten Lucasbolwerk in Utrecht. De weg was leeg, ja. Behalve die éne auto. Ik had een lange emotionele nacht gehad en was met mijn hoofd ergens anders. De klap kwam vanuit het niets. Van het ene moment op het andere lag ik schreeuwend van pijn op de weg en ik zag mezelf liggen. Ik hoorde mij gillen alsof het een ander was.
Ik kwam plat op mijn rug in het ziekenhuis terecht. Ik had een arm en een been gebroken en ik werd geconfronteerd met mijn angsten, die zich als een draaikolk aan me opdrongen. Dagenlang lag ik op mijn rug met mijn been omhoog in een stelling. Ik kon er niet aan ontkomen. Ik probeer uitdrukking te geven aan wat ik voelde.

Ik keek in de diepte van een duizelingwekkend ravijn met donkere poelen zonder einde. Er was iets daar. Iets donkers en duisters, als een afzichtwekkend monster of gedrocht. Muren kwamen op me af en ik kon geen kant op. Dit was het einde.
„Okee dan!“ riep ik vanuit mijn diepste wanhoop. „Ik kan niet anders.“ Ik slingerde die woorden het universum in en wierp me blind in de diepte waar ik iets had verwacht wat erger was dan de dood. Maar wat ik er aan trof was ongelooflijk. De sprong bracht mij in de armen van mijn eigen draak. Een diepe ontspanning spoelde langs mijn benen omhoog, alsof ik gedoopt werd in stil en heilig water. Het omspoelde me van mijn kleinste teen tot kruin. De duistere poel bleek het warmste bad te zijn dat ik ooit heb gekend. De draak was mijn eigen kloppende hart.

Ik heb dit verhaal nog vaak verteld. En dan blijkt dat ik niet de enige ben, die zo’n levens veranderende klap heeft gehad. Het is een zeer grondige inwijding in het kiemkrachtige kern van het leven en een sprong in de groei naar jezelf zijn, met al je mogelijkheden en speelse nieuwsgierigheid naar de wereld en anderen.

 

Kierkegaard: “Angst is de duizeling van de vrijheid.”

.

Het breken van duister gaat vaak geleidelijk, zoals Henriëtte Holst hieronder beschrijft. Arm en rijk, nomaden of stedelingen, de Inuït op de Groenlandse ijsvlakten of een autonome Afrikaanse boer in de Savanne, iedereen leeft en leert. Wie durft te vallen, staat weer op met nieuwe inzichten. En het mag allemaal. We mògen het, keihard vallen en fouten maken! Wat een kans toch, zo’n leven op Aarde, de planeet die dat alles maar verdraagt… Boffen dat we er zijn!

Al die mensen onderweg, al die bijzondere verhalen, sterken mij in de overtuiging dat uiteindelijk, alles goedkomt. (Zelfs in Nederland, waar vallen eigenlijk niet mag. Misschien ben ik daarom wel hier.)

 

Henriëtte Roland Holst:

 

Over de rustige vastheid die ik vond

De mensen zijn in twijfel gevangen
’t gezicht van een god heeft de tijd gebleekt,
nu kom ik ze vertroosten met gezangen
van wat nooit wisselt en in niets ontbreekt.
Ik kan bemoediging zijn voor de bangen,
de klare stem die altijd rustig spreekt,
omdat mijn hart dat geen angstvallig hangen
aan wolken kent, ziet wat door wolken breekt.

Ik werd geboren met een aard die sterk
van zelf gaat naar de kern van alle zaken
maar veel stond tussen mij in en mijn werk.
Groeiende, heb ik dat opzij gezet:
het werd al lichter, alle duisters braken
en ik zag liefde als de levenswet.

Henriette Roland Holst-van der Schalk (1869-1952)
uit: Sonnetten en Verzen in Terzinen geschreven (1896)

 

.

Toen ik verder zocht naar meer filosofieën hier over, ontdekte ik een Vlaming, in wiens woorden ik wel iets herken. Psychiater en hoogleraar Damiaan Denys is gespecialiseerd 
in angsten en woont in Nederland. Nederland is een bang land, constateert de Vlaming. ‘Maar angst is juist het deurtje dat ons de vrijheid toont.’

Overigens mis ik iets in zijn visie. Hij onderzoekt de hersens en spreekt niet over het hart. De verwoording van dichters omvat daarin meer dan die van wetenschappers. Het zijn twee manieren om de werkelijkheid te benaderen. Ze kunnen naast elkaar bestaan en elkaar aanvullen en verrijken.

https://www.vn.nl/psychiater-filosoof-damiaan-denys/

.

 

.

 

 

Klein, mooi en handig

.

 

In de kern van het huidige leven, zit de kiem van het nieuwe al verborgen. Het is als een jas, waar je aan werkt tot die past, om dan het oude af te werpen en het nieuwe aan te trekken. (Alowieke)

.

 

Ik sta in de keukenhoek van mijn oude woonwagen en veeg voor de zoveelste maal het aanrecht schoon. Het is een normaal aanrecht, zoals in alle huizen. Er zit zelfs een echte wasbak in. Het is een grote, dus dat betekent nog meer om schoon te maken. Ik heb er een sport van gemaakt om mijn watergebruik te minimaliseren. Het staat in een mooie glazen pot op het aanrecht. Daar past een grote wasbak helemaal niet bij. Er staan nu drie dingen in, die ik toch ergens kwijt moet: een smoezelig afvalbakje, een glazen potje voor vuil water en een wit kommetje met schoon water om plakkerige handen af te spoelen. Omdat ik de wasbak eigenlijk een lelijk, nutteloos ding vind, besteed ik er maar weinig aandacht aan en ook aan wat er in staat.
Het is voor mij de kunst om in de nieuwe wagen van banale dingen iets moois te maken. Ik maak er graag een hoekje van dat praktisch is, niet groter dan nodig en waar ik met plezier naar kijk. Er komt gèèn wasbak. En het gore vuilwaterpotje wordt straks ingeruild voor een mooie kleine kruik, die op een plankje staat te pronken. Hoe kleiner hoe fijner.

Ik erger me steeds meer aan te grote, zinloze dingen in huis. Zo is er het tweepitsgastel, waarvan ik er altijd maar één gebruik. Eigenlijk vind ik het hele aanrecht veel te groot. Er zijn stukken van het aanrechtblad die ik niet gebruik. En dat komt toch weer vol te staan, met wàt eigenlijk? En ik moet elke keer opnieuw alles optillen bij het schoon maken.
Er zijn ook dingen die simpelweg onhandig gemaakt zijn. De keukenwand zat er al. Het is grof timmerwerk van ruwe planken. Die wand is altijd goor, want ruwe planken zijn lastig schoon te krijgen. En de kurkvloer, die ik zelf heb gelegd, is bij de deur opgebold door vocht. Door het zwellen laat de kurklaag los en er zitten nu kieren tussen. Dat komt omdat de deur niet afwatert en harde regen onder de deur door sijpelt. En zo is er meer, wat beter kan. Ik heb veel van deze woonwagen geleerd. Hoe ik dingen wel en niet wil. Het is een goeie plek geweest en er waren ook veel mooie dingen. En nu ben ik er klaar mee.

 

 

De nieuwe wagen is bijna bewoonbaar. Ik werk hard. Ik wil eindelijk wel eens verhuizen. Hoewel de nieuwe wagen de helft kleiner is, voelt dat niet zo. Het is er licht en open en ik heb het gebouwd in een gelijkmatig ritme, met verrassende details. Het is bijna als muziek, als een symfonie.
De indeling is precies zoals ik het wil. Dat alles geeft me het gevoel van ruimte en vrijheid. Het is een schatkist aan lang uitgewerkte ervaringen en dromen, nu tastbaar geworden in dit éne.

Straks kan ik er werkelijk in trekken. Ik verheug me er op.

 

.

Het bed maak ik op zeventig centimeter hoogte en eronder is kastruimte. Het middelste gedeelte, wat nu ontbreekt, wordt ook gebruikt als tafel. Je kan de kussens opzijleggen en als rugleuning gebruiken en de tafel ophijsen aan touwen, tot gewenste hoogte. Je kan hem ook tot aan het dak hijsen en dan kan je daar staan of lopen, dansen of ijsberen. Er zit plexiglas in de tafel zodat je er doorheen kan kijken en het daklicht kan blijven zien, wanneer hij tegen het plafond gehesen is. Ik doe mijn best om in alle keuzes die ik maak ruimte te scheppen, of de illusie ervan. De materialen die ik gebruik, zijn meestal natuurlijk. Maar soms is kunststof echt handiger en dan kies ik daar toch voor.

Om ruimte te scheppen heb ik veel kastruimte onder de vloer gemaakt. Je kan erbij via vijf luiken. Het frame van de kast is klaar, het maakt deel uit van de wagen. Ik moet hem nog wel muisdicht maken.

Het valt me op dat dingen die ik maak, steeds opnieuw lijken op muziekinstrumenten. Kijk naar de onderdelen van dit bed. Het lijken wel twee piano’s.

 

 

.