Schrikken voor het slapen gaan

.

.

Door vermoeienis dwaal je af van het pad, dat je zelf hebt gebaand, dat je zelf met zoveel hersenbrekens tot perfectie had gebracht. Vergeten liggen gevallen steken, verborgen voor het oog. (Alowieke)

De hemel is gesluierd met een donker wolkendek. Gisteren kwam de zon er door heen, een verrassing na dagenlang mist en de regen. Maar vandaag is hij weer weg. En het is al januari geweest! Ik weet dat het klimaat verandert. Toch verrast het me op onprettige wijze. Dat de herfstige buien maar blijven vallen, dat de nevels maar blijven komen, het verandert de wereld. Ook mijn huis lijdt er onder en zulke dingen ontdek je nou net op de meest ongelegen momenten.

Ik heb mijn pyjama aan gedaan. Op het bed ligt een extra deken, want het wordt koud vannacht. Ik kijk op de wekker. Het is nog maar kwart over tien, ik ga vroeg mijn nest in, want Dick en ik gaan er op uit, dit weekend. Als ik mijn pantoffels uit doe, zie ik iets.
Het is een vochtvlek op het witte doek van het plafond. Een klein vlekje maar, maar het zat er eerst niet en dat is raar. Heeft het gelekt?
Ik vouw de stof opzij en trek de dikke isolatie weg. De grijze schapenwol voelt vochtig aan de bovenkant. Ik weet dat daar een kleine lek zit, maar daar heb ik tijdelijk een theedoek tussen gepropt. Het lek is zo klein, dat ik het alleen bij hoosbuien in de gaten moest houden. Ik had gedacht het op de eerste lentedag piekfijn in orde te maken. Maar wat nu? Ik trek de isolatie verder weg en schrik. Het buigtriplex is zwart van de schimmel. Zou het hele plafond er zo uit zien, al die tijd verborgen voor het oog? O dat dak, waar al zoveel uren in hebben gezeten!

Het is een warme dag in de nazomer. Ik sjouw met  grote buigzame platen, die moeten straks het dak op. Ik smeer een heel blik lijm op de randen, tegen inkruipend vocht. Het is mooie dunne lijm en het gaat snel. Terwijl ik ermee bezig ben, komt de buurman kijken, een loodgieter. Hij is ook nog psycholoog en ik kan altijd heerlijk met hem filosoferen.
Hij kijkt hoe ik de soepele kwast in de lijm doop. “Ga je de rest van de plaat nog behandelen?” vraagt hij me. Ik kijk hem aan. “Nee. Ik ben doodmoe. Het moet nu maar eens af zijn.” Hij kijkt bezorgd naar het hout. “Ach ja, vervangen kan altijd nog.”

En nu staar ik naar mijn plafond en denk aan hem, ik zie die bezorgde blik nog glashelder voor me. Ik ben net wakker na een paar uur slaap. Ik heb een hoop uitgezocht en opgeschreven. Piekeren ‘s nachts is soms heel functioneel. De zwarte schimmel heet stachybotrys en is schadelijk voor de gezondheid. Als de toestand al te bar is ga ik het nodige vervangen.
Na een flinke kom havermout voel ik mij bestand tegen elke tegenslag. Rustig haal ik adem en besluit te blijven glimlachen, terwijl ik het doek wegtrek. Langzaam onthul ik een kleine ramp. Het zit er letterlijk ònder, allemaal zwarte en witte schimmel. Er hangen druppels aan het poreuze houten dak. De druppels moeten rollen, zoals op de werktekening, rollen langs spiegelglad oppervlak, door de speciaal ontworpen kier naar buiten.

Ik weet wat ik te doen heb. Steiger plaatsen, dakbedekking lostrekken, de platen ertussen uit halen. Ik zal de nieuwe bestellen en op maat zagen, ze conserveren met goeie harde hoogglansverf. Ik plak gladde folie tegen het plafond boven de wol, dan is de afwatering van condens goed geregeld. Daarna controleer ik een paar weken of het werkt. Is het okee, dan plak ik de dakbedekking weer vast, met een nieuwe pot rubberlijm en maak alles weer netjes.

Het komt goed. Maar ach, eerst maar eens  goed slapen.

 

.

Advertenties

Eindejaarsfilm

.

Vlak voor het nieuwe jaar begint, wil ik iets bijzonders presenteren. Geen blog, geen tekening, geen gedicht, geen korte video, maar een film, dè film!

In deze tijd worden oude dingen worden afgerond. We nemen afscheid van een jaar met spijt of met voldoening, of alles tegelijk. Voor mij waren deze donkere dagen ideaal om het  nog een tweede keer te beleven, in een flitsende samenvatting. Ik maakte een film van de bouw van mijn “wooncocon”. Al het beeldmateriaal, meer dan drie jaar bouwen, heb ik gerangschikt. Ik heb er een verhaal van gemaakt, dat hopelijk niet alleen goed te volgen is, maar ook prachtige sfeerbeelden geeft.

Ik kon mijn droom waarmaken op deze minicamping in Brabant, waar ik heel dankbaar voor ben. Alle omstandigheden waren perfect voor deze film. De verstilde beelden in de winter zijn adembenemend en in de lente hoor je slechts het gekwinkeleer van de vogels. Je kan hier werken met een ideale concentratie zonder stoorzenders. Ik heb het hele proces consequent vastgelegd. Niet alleen met mijn huisje, maar ook over de film ben ik  helemaal tevreden.

Ik hoop dat dit verhaal zijn weg vindt en dat het nog menig enthousiaste bouwer inspiratie biedt. Of laat het er zijn, gewoon als verhaal, om naar te kijken en van te genieten.

Ik wens jullie veel kijkplezier en alle mogelijkheden om je dromen waar te maken en van dat proces te genieten. Een vitaal 2018!

.

.

Het laatste idee is om mijn wooncocon in een kas te zetten van 40 – 50 M2. Dan heb ik daarin mijn buitenkeuken en composttoilet, kruiden, druiven, tomaten, komkommers en de kleine stekken voor ze de koude (klei)grond in kunnen. Later meer daarover.

.

.

Huisje in de sneeuw

.

.

Het is snijdend koud en het sneeuwt al urenlang. Er staat een keiharde oostenwind. De vlokken waaien horizontaal tegen mijn voordeur. Die bestaat uit vier kleinere deurtjes. Ik heb ze met veel zorg precies passend gemaakt. Dat duurde lang. De naden heb ik bedekt met afwerklatten. Mooi werk, vond ik, de wind kon er vast niet doorheen. Dat dacht ik. Maar mooi niet. Vandaag waait de wind medogeloos. Het is een robuuste jongen. Hij laat zich door niets weerhouden en geen kiertje is te klein. Ik kijk er naar en voel de tocht langs mijn handen. Ik weet maar één oplossing, dichtplakken.

En nu is alles dicht. De tocht is weg. Ik kan er niet meer door. Ik ben waar ik ben. Ik heb het bed niet opgeruimd en omgetoverd tot zithoek, zoals anders. Ik heb het bed het bed gelaten en dat is nu mijn leefhol. Ik schrijf, bewerk mijn foto’s. Af en toe sta ik op en kijk naar de vogels. Het zijn er een heleboel. Ze eten van vetbollen en zaad. Zelfs als het stormt.

.

.

Ik kan nog wèl door de achterdeur. Zo fijn dat ik die heb! Er zitten òòk vier deurtjes, net als voor. De bovenste twee zitten bij mijn bed. Als ik de twee deurtjes open doe, waait er geen koude wind naar binnen. De achterdeur zit nu in de luwte. Dat scheelt! Ik glimlach tevreden. Vanuit het bed klauter ik op mijn sokken naar beneden, de buitenkeuken in. Daar staan mijn klompen. Ze voelen koud aan mijn voeten. Zo kan ik het netjes doen, zonder het bed vies te maken. Het is een hele organisatie, om alles via deze omweg te doen. Water halen, kaas uit de keuken meenemen, schillen naar buiten gooien, plasflessen legen, hout voor de kachel naar binnen sjouwen, de asla van de kachel legen. O ja, ook nog mijn composttoilet, dat moet ook nog naar buiten. Ik ben er zowat twee uur zoet mee.

.

.

Als ik klaar ben voel ik me zo voldaan, dat ik er de hele dag tevreden over ben. Het uitzicht is adembenemend. Een rukwind waait de sneeuw van de takken. De wind rukt aan de dichtgeplakte voordeur en ik hoor het plakband knisperen. Toch blijft alles op zijn plek. Dan is het weer stil. En onmiddellijk zijn daar de vogels weer. De krulwilg, nog niet eens al zijn blaadjes kwijt, is één groot fladderballet van vleugels en wappersneeuw.

.

.

Ik geniet met volle teugen. Dit uitzicht is uniek. Straks is het er niet meer. Ik wil een tuinkas om mijn wagen hebben. Dan hoef ik de voordeur niet meer dicht te plakken. Dan kan ik gewoon naar buiten stappen, midden in de ergste sneeuwstorm, om iets buiten mijn wagen te doen. Superhandig, zo’n tuinkas. In de lente kan mijn huis eruit en kunnen de plantjes erin.

.

.

Als ik zo beschermd sta, dan is het ruige romantiek er wel een beetje af. Dan wiebelt mijn huis niet meer bij rukwinden, dan heb ik de mezen niet meer in mijn keuken. Geen pimpelmees die er nog schuilt, in een achteloos opgehangen broodzak, pal achter het raam. Dan zijn er weer andere dingen om naar te kijken.
Dus ik geniet van hoe het is. Elk moment opnieuw.

.

.

 

Dit is speciaal voor Herma van radio 4, die gezorgd heeft voor zoveel kristalheldere muziekmomenten en die nu weggaat.

.

 

.

 

Een taal die niemand kent

.

.

Ik heb de kachel aangemaakt met kleine houtjes die ik gesprokkeld heb in het bos. Het is een koude ochtend. Ik kijk door het raam van mijn woonwagen naar de witte bevroren mist. Er is geen briesje, geen takje wat beweegt. Een paar mezen hangen aan de vetballen die ik ophing. Het Brabantse platteland maakt zich klaar voor de winter.
Ik kijk door het raam en luister. Ik heb een nieuwe CD, van Goran Bregovic en geniet met volle teugen. Vaska Jankovska, ik hou van haar stem. De muziek neemt mij mee naar buiten. Ik kijk en zie haar tere, heldere meisjesstem als lichte nevel over bevroren gras. Donkere klanken van de contrabas zijn als de natte kale takken, houterig en zwart van vocht. Alles lijkt in elkaar over te vloeien, de stem, de muziek en het verstilde landschap. Ik krijg kippenvel. Ik hoor wat ik vóór me zie. Wat is dit? Wat zingt ze in hemelsnaam?

“Aven Ivenda” lees ik op het beeldscherm. Dat is de titel. Ik zoek verder. Onder een filmpje op You Tube vind ik uiteindelijk de tekst van het lied. Het is geschreven in de taal van de Roma’s, het romani genoemd. Er staan veel reacties onder. Niemand weet de betekenis van de tekst. Ik ga verder op zoek naar een vertaling, maar die is er niet. Er is geen woordenboek van deze taal! Ook Bregovic zelf laat geen woord los over betekenissen. Het komt van een CD met verhalen en liederen van trouwerijen en begravenissen. Het is muziek uit allerlei culturen, het ene moment ingetogen poëtisch om vervolgens uit te barsten in feestelijke uitbundigheid, zo intens als het leven zelf.
Ik zoek en zoek. Maar waar ik ook kijk, nergens is een vertaling van de gezongen teksten en ook niet van dit prachtige lied.

Na een poosje vind ik iemand die meer weet, al is het dan alleen de titel.
Verwonderd staar ik naar de vertaling ervan. Het betekent “De winter komt…”
Notabene! Hier wil ik meer van weten.

De Roma zijn een volk dat veracht wordt. We noemen ze meestal “zigeuners”. Van oorsprong komen ze uit Azië en hun taal lijkt op Sanskriet. Ze zijn muzikaal en ambachtelijk en kunnen veel. Toch krijgen ze zelden respect. In Oost Europa kwamen velen terecht in een hard leven van slavernij. In de tweede wereldoorlog wachtte hen hetzelfde lot als de joden. Het zijn mensen bestempeld als dieven, onbetrouwbaar tuig en asociale schreeuwers. Ik kijk naar verschillende filmpjes, waarin dit beeld bevestigd wordt en een lange lijst met de even schreeuwerige reacties van Nederlanders die ernaar keken. Wat een tegenstelling is dit, met de poëzie van dit ingetogen lied!
Ik zie veel enthousiasme over dit gezongen gedicht, een lied van de Roma. Maar toch vind ik niemand die naar ze toe is gegaan om te vragen wat het betekent. Ik kan het laten liggen. Net als de anderen zeggen, dan weet ik het maar niet. Maar dat zou jammer zijn. Het is zo mooi. En ten slotte woon ik ook in een huis op wielen, net als zij. Als ik het echt wil weten, moet ik zelf op zoek gaan. Op zoek naar één van die Roma. Ergens mòet toch iemand zijn die het me kan vertellen.

.

Sa gada guglije munrrije sa gada dilije
Ucharla iva parne
Thaj duj cikne asvora
Sar duj cirikljora
ivja furjan
Ileja
Aven Ivenda

So te cera romano kopile
Vo isuso sas kopile
Thaj cerlas katar o paj mol
Kale themeja men ustavasa
Punrro ci mekasa
Lundze droma
Ileja
Aven Ivenda

.

.

.

.

Straks is het heel gewoon

.

Lekker hangen aan een oersterk dak. Het zit tjokvol schapenwol, het is warm en nog geventileerd ook. Met zo’n dak blijf ik gezond en lenig als een aap, al word ik honderd. Hoe de wereld er ook uit ziet in 2065, ik ga er voor.

.

De telefoon gaat. “Hallo met Hanna, ik ben student journalistiek. We hebben elkaar ontmoet in Tilburg op het perron en u vertelde over uw manier van leven en dat u zelf uw huis bouwde. Nu moet ik iemand interviewen die controversieel is. Ik dacht meteen aan u.”
Ik zeg haar dat ze welkom is en we maken een afspraak.

Later denk ik na over het woord “controversieel” Waarom is mijn manier van leven controversieel? Wekt het tegenspraak op? Het is meestal het tegenovergestelde. Ik kom veel vaker mensen tegen die er ook van dromen, maar het niet doen, dan mensen die er wat op tegen hebben.
Ik denk veel na over alle goede invloed die mijn manier van leven heeft op de omgeving. Ik gebruik weinig energie, ik heb weinig nodig en kan daardoor veel aandacht besteden aan mijn omgeving. Daarom tuinier ik veel, ik composteer alles wat er binnenkomt. Ik maak de grond rijker, de wereld mooier en waar ik ben wemelt het al gauw van de bloemen, hommels, vlinders en vogels. Als het moet, kan ik makkelijk verhuizen naar een plek waar ik nodig ben.
In deze tijd van klimaatverandering, ernstige bedreiging van de diversiteit en grondstoffen die op beginnen te raken, zou deze manier van wonen omarmd moeten worden. We moeten drastisch anders gaan leven, willen we het redden.
Inmiddels is ook duidelijk dat Antartica veel en veel sneller afsmelt dan gedacht en dat de zeespiegel aan het einde van de eeuw niet slechts een enkele meter, maar een aantal meters gestegen is.
Ik ben er niet bang voor. Ik denk ook niet, dat maak ik toch niet meer mee. Ergens is het in mijn bewustzijn, dat dit al in mijn leven kan gebeuren. En dan is het goed om mobiel te zijn, en zelfvoorzienend. Dan is het handig om je te kunnen redden met de gereedschappen die je hebt en het goed te kunnen vinden met de mensen om je heen.
Regels worden steeds strakker. Het zou juist andersom moeten. Om ons aan te kunnen passen aan de snel veranderende wereld, zou er meer ruimte moeten komen om te experimenteren met andere woonvormen. Zoals ik het op mijn manier doe. Als je ruimte krijgt om te spelen, dan merk je wat je ècht kan. Zelfvertrouwen groeit en je weet dat je je ook in moeilijke situaties kan redden.

Spelen maakt dat
enge dingen
zich gaan ontpoppen
tot uitdagingen

Hoe meer mensen de sprong maken, hoe meer er zullen volgen. Een leven zoals het mijne? Straks is het heel gewoon. Dat hoop ik zò!

.

In dit spannende filmpje van 10 minuten kun je het hele verhaal volgen. Als je meer wilt weten over details van hoe ik het gedaan heb, bekijk de andere video’s of kom langs!

.

.

.

Wat vind ik in mijn schoentje

.

Wie heeft er nou een huis dat weet wanneer het sinterklaas is? Vlak voor 5 december, vond ik zomaar iets in mijn schoen. Ik was maar heel even weggeweest..

.

Mijn kleine huis zit vol verrassingen. In het ontwerp heb ik gekke bergruimtes getekend, waarvan ik nog niet precies wist waarvoor ik ze zou gebruiken. Ik maakte ze omdat ik gek ben op onverwachte ruimtes. Zo maakte ik in het dak, pal boven de deur, een luikje. Het is maar twintig centimeter in het vierkant en het zit vastgeklemd in de constructie van de nok. Je moet eraan trekken om het te openen. Aan de buitenkant, in de gevel, is dit bergplaatsje ook toegankelijk.

.

.

.Als je het luikje open doet, zie je aan de binnenkant twee geschilderde kwikstaarten. Zij waren de eersten die in mijn nieuwe huisje wilden gaan wonen. Het paar wilde in dat leuke hokje een nest maken. Waarschijnlijk schrokken ze zich wezenloos toen opeens het klepje openviel en ze naar beneden vielen.  Ik vond twee gevangen kwikstaarten in mijn huis, die niet meer wisten hoe ze hier verzeild waren geraakt. Het is dus een klepje wat ineens open kan gaan. Dat wist ik toen. Ik heb het expres zo gelaten.

.

.

Ik heb er mandarijnen in gestopt. Gewoon, omdat het zo hoort. In een bergruimte, daar stop je iets in. Dus waarom geen mandarijnen. Zo lagen ze er dagenlang en ik was al helemaal vergeten, dat het luikje open kon vallen.

En toen gebeurde het. Ik ging alleen maar even de kippen voeren. Ik kwam gelijk weer terug, keek  met stomme verbazing in mijn schoen en lachte.

Tijdens mijn korte afwezigheid, vlak voor sinterklaas, vielen de mandarijnen precies in mijn schoen. Wat heb ik toch een heerlijk huis.

 

.

.

Het ontwerpen van de buitenkeuken

.

.De woonwagen met markies en buitenkeuken, zoals het nu is.

 

Het is avond. Buiten schijnen de sterren helder in een zwarte lucht. Die kun je hier goed zien. Maar ik zie ze niet. Ik ben binnen. De luiken zijn dicht en houden de warmte goed binnen. De kachel brandt zachtjes.
Het is al bijna tijd om naar bed te gaan. Maar ik ben nog klaarwakker. Ik vraag me af wat ik ga doen. Blijf ik hier nog een poos op deze camping, of ga ik weg? Ik denk aan mijn rugzak, mijn hangmat, mijn winterjas en mijn elektrische kettingzaag. Ik heb al zoveel keren opgeruimd en dingen weggedaan, dat ik haarscherp voor me zie, wat ik nog wèl heb. En ik weet, het kan er niet in. Ik kan niet alles kwijt in mijn “kelderkast”. Bovendien is het niet handig om daar alles in te stoppen. De helft van die ruimte is bedoeld voor dingen die ik niet vaak nodig heb.

Ik moet nòg meer dingen weg doen, dat is het eerste wat er door me heen gaat. Als het moet, dan moet het. Met spijt denk ik aan mijn overgebleven gereedschappen, waarmee ik deze wagen heb gebouwd. Ik besef dat ik op de bodem ben gekomen. Ik heb weggedaan wat ik niet nodig heb, maar zonder gereedschappen ben ik onthand.
Ik wil nog verschillende dingen. Er moet dus extra bergruimte komen. Ik wil ook een betere keuken. Er komt een transparant zeil, zodat je er droog en uit de wind kan zitten. En ik wil een keukentafel. De ideeën rijgen zich aan één. Ik kan de keukentafel zò maken dat het tegelijkertijd een compacte en toegankelijke berging is. Het zeil hangt eroverheen. Bij een verhuizing tillen we de kar gewoon naar binnen. Ik zie het allemaal voor me, zo helder dat ik niet kan slapen. Maar dat geeft niet. Ik ben blij. Want ik weet wat ik ga doen.

De volgende dag ben ik aan het tekenen. Uur na uur gaat  voorbij, terwijl mijn zonnige vensterbank vol potloden ligt en op de lessenaar ligt mijn tekenvel. De ene na de andere tekening vormt zich en mijn linker en rechterhersenhelft communiceren druk met elkaar. Tijdens het tekenen zie ik steeds meer mogelijkheden. Dit wordt een multifunctionele keukenkar!

 

 

 

De keukenkar moet een eenheid vormen met de woonwagen. Het transparante zeil wordt afgewerkt met randen, drukknopen en ogen. Het hangt over de keukenkar heen. Er zijn twee vleugels waarop het zeil kan worden bevestigd. Die zitten vast met een pianoscharnier. Ze kunnen inklappen.

.

 

Aan weerszijden van de keukenkar zitten grote laden. Ik heb ze gedecoreerd met dunne triplex, zodat er een reliëf ontstaat. In het midden is ruimte voor een aanrechtkastje en een ondiepe kast waar schoonmaakspullen in staan. De kar is verplaatsbaar. Er zitten aan de ene kant wieltjes onder en aan de andere kant pootjes. Zo kan je ermee rijden als met een kruiwagen. De vleugels staan nu omhoog. Ze zijn bespannen met het transparante, UV bestendige zeil.

.

 

Middenin de kar zit een gat. Er zit een dop op het gat, die kan je eruit trekken. Daar zet je dan een parasol in, of een vissersplu. Je kan de kar in de zomer verder van de wagen afzetten, zodat er meer ruimte omheen komt.

.

 

Tijdens het tekenen merk ik dat ik ronde vleugels mooier vind dan strakke, rechte. Ik vraag me af of ik een vissersplu mooier vind.

.

 

Al gauw kom ik op een nieuw idee. Die vissersplu wordt hem niet. Ik kan maken dat de vleugels uitgeklapt kunnen worden. De tafel wordt zo hartstikke groot. Er kunnen wel tien mensen aan zitten. Dan is zo’n vissersparaplu te klein. De zijstukken zitten vast met een pianoscharnier en worden ondersteund door de deurtjes. Er is een hoogteverschil, de bovenkant van de deurtjes is zes centimeter lager. Daarom maak ik een dikke plank met inkepingen. Die kun je dwars over de deurtjes heen leggen. De tafel wordt daardoor tegelijkertijd beter ondersteund. De deurtjes worden aan de onderkant op hun plek gehouden met pennen in de grond.

.

 

Dit is de lijst met materialen. Het is een heel denkwerk. Elke keer als ik er een functie bij bedenk en de kar nóg meer mogelijkheden geef, verandert alles weer. Toch is het volgens mij gelukt om een overzicht te maken.

Een duidelijke overzichtslijst scheelt enorm. Ik kan de stukken plaatmateriaal al in de winkel op maat laten zagen. Dat kost maar 50 ct per zaagsnede, dus voor 5,50 heb ik al wat werk uit handen gegeven èn ik kan het makkelijk meenemen op de fiets. Heel fijn dat zij voor mij een kant en klaar pakketje kunnen maken. Maar daarmee ben ik nog niet klaar. Er gaat altijd meer tijd in zitten dan je denkt.

En straks! Ik fantaseer al hoe ik in mijn keuken één pansgerechten kan maken, maaltijden met wilde planten er in en zelf verbouwde groenten. Eén voor één kunnen mensen aanschuiven aan de grote tafel. Wat een mogelijkheden… Bovendien passen de keukenkar, mijn fiets en het fornuis precies in de ruimte van mijn wagen. Verhuizen is geen probleem. Ik hoop dat ik in de lente klaar ben. Maar dat weet je nooit. Dus eerst maar genieten van dit mooie, nieuwe project.

.

.

Opnieuw aan het werk

.

.

We zitten in de buitenkeuken te ontbijten. Het waait en het miezert. De groen met grijs gestreepte markies moet ons tegen de regen beschermen. Als je heel dicht tegen de wagen aan gaat zitten word je inderdaad niet nat. Maar dat bevoorrechte plekje is maar voor één persoon. De ander heeft pech.
“Mijn kont is nat,” zegt Dick. Hij heeft een korte broek aan getrokken, om zijn lange broek droog te houden. Natte benen vindt hij niet erg, die kun je afdrogen. Best een bikkel, die Dick. Op zijn grote blote knieën balanceert een houten bord met een vers afgesneden boterham. In zijn linkerhand houdt hij de pot appelstroop vast, in de rechterhand het mes. De boterham schuift bijna van het bord, wanneer hij probeert zonder het brood vast te houden, de appelstroop er op te smeren.
Ik kijk naar het flapperende doek, dat ik met knijpers aan de markies heb gehangen, om een windvrij hoekje te maken. Het helpt maar een beetje.
”Ik zal er eens over denken hoe ik dit kan afsluiten, tegen wind en regen.“ Dick knikt. “Goed plan. Er zouden ook meer plekken moeten zijn waar je iets neer kan leggen.”
Het is hem gelukt om een paar likken stroop op zijn brood te krijgen. “Ik ben benieuwd hoe je dat gaat doen. Het zal gezellig zijn als hier wat meer ruimte is.”

Ik heb gezegd dat de woonwagen af was. Maar mijn keuken is nog steeds een geïmproviseerd rommeltje. De vloer is kale grond. Er ligt een klein plankje om op te staan, maar dat zakt langzaam maar zeker het zand in. Soms mors ik wat en dan denk ik: “Ach wat maakt het uit, het zakt wel in de bodem.” In het begin vond ik dat wel handig, maar met het verstrijken van de tijd, werd dat steeds minder. De aarde domineert mijn keuken meer en meer. Alles is constant bedekt onder een laagje zand, niets is ooit echt schoon. Langzaam maar zeker verslonst het, staan er steeds meer potten vuil te worden op de kale grond, omdat er nog altijd geen duidelijke plek is waar ik dingen op wil bergen.

Dat moet anders. Dus terwijl buiten de zon schijnt en een koude harde wind over de velden waait, sta ik achter mijn raam en maak een ontwerp. Ik maak er een sterke wind- en waterdichte hoek van. Ik teken het uit op een stuk papier, ik meet en maak sommen. Het moet transparant zijn, zodat de markies goed tot zijn recht komt. Het moet dezelfde ronding als de markies hebben, waar het aan hangt. Naar onderen moet het breder uitlopen zodat er ruimte komt voor drie mensen. Ik schrik van al het materiaal dat ik er voor nodig heb, allereerst is dat dik raamfolie, UV bestendig, glashelder. Behalve dat, bestel ik enkele tientallen meters watervaste afwerkingsband, watervast garen, roestvrijstalen ogen en drukknopen. Het wordt een hele lijst.

Iets maken wat goed en duurzaam is, dat kost wat. Het kost tijd, geld, energie en het vraagt een hele hoop geduld en doorzettingsvermogen. Maar dan hèb je ook iets. Zeker weten!

.

Kon je maar gaan springen, rennen
En de volgende stap
verkennen

Maar
je bent nog niet
klaar

Eigenlijk weet je ’t best
je kent de gaten, de gebreken
je dacht dat kan ik wel zo laten
gauw heb je de andere kant op gekeken

Dus daar is het fluitje
en terug ben je weer

Je kijkt het nog eens na
en nog een keer
en nog een keer

Je werkt er aan

tot er iets
gebeurt
waardoor je
verder rolt.

Pardoes daar is
een nieuw bestaan

Grondigheid als sleutel
naar de volgende stap
om te gaan.

.

.

.

De ganzen achterna

.

.

Soms wacht je ergens op
als op een vertraagde trein.
En tussen de gelaten menigte
is er niemand die iets zegt
waarom hij laat is en
of hij nog komt.

Je kijkt om je heen
verloren in het moment.
Tussen uitdrukkingsloze gezichten
valt het vuurrode blad
van een esdoorn.
Waar wachten we eigenlijk op

Er vliegt een groep gakkende ganzen over
Verwachtingsvol kijk je omhoog
en ziet het ritme van klappende vleugels.

Weg zijn ze alweer.

De menigte blijft staan
als een lamgeslagen lichaam
met duizend dromende ogen
die in ‘t geheel geen ganzen zien.

Je kijkt naar je wandellaarzen
die stevig staan op kletsnatte klinkers
je voelt je vragende voeten.

Energie stroomt waar beweging is.
Kom,
je wacht niet langer,
je gaat lopen.

De ganzen achterna.

.

.

Nacht van wording

.

.

Ik zit beroerd en misselijk op de bank. Zelden ben ik ziek, maar nu heeft het me toch te pakken. Af en toe probeer ik kokhalzend een hap waterige haverpap met lijnzaad naar binnen te werken. Je moet toch wat. Lijnzaad doen ze ook door het voer van paarden als ze iets hebben. Dus moet het bij mij ook werken. Als ik mezelf zielig begin te voelen dan denk ik aan een zwerver. Die zit in een kartonnen doos onder een brug. Ik woon in een fijn zelfgebouwd huisje. Met die gedachte leg ik mijn hoofd berustend in het kussen en slaap weer in.
Ik slaap de hele nacht en ook overdag. Ik laat me weg zinken, dompel er in onder. Elke keer als ik mijn ogen opendoe, voel ik me weer een stukje beter. De ene dag na de andere gaat voorbij. Tot er vier dagen om zijn en de vijfde nacht aanbreekt. Die nacht gebeurt er iets bijzonders.

Ik sta bij een poort. Binnen hoor ik muziek. Het is feest. Overal zijn mensen, er binnen en hier buiten. Verlangend kijk ik door de openstaande deuren. Ik heb mijn handen nog vol bouten en moeren van het bouwen.
Een forse vrouw met een lange rok ziet me staan weifelen en begrijpt me direct. “Gooi hier maar neer. Wij sorteren ze wel,” Er liggen er al veel meer, schroeven, bouten, moeren, netjes gesorteerd in bakjes. Ik gooi alles erbij en daarna voel ik me een stuk lichter. Blij ga ik naar binnen.

Meteen beland ik middenin een zaal met wervelende danseressen. Daar om heen spelen muzikanten. Ik kijk ademloos naar het schouwspel. Dan fluistert iemand mij iets toe. Hij staat in de schemering, achter de coulissen. “Het is jouw tijd nog niet, jij komt straks pas. Je hoort dáár.” Hij wappert met zijn hand en ik kijk opzij. Er zit een rij jongetjes op een gymbank. Ze hebben bruine pijen aan. Ik ga bij ze zitten, aan het einde van de rij. Nu pas zie ik dat ik ook een bruine pij aan heb, die niet eens zoveel verschilt van de hunne. Hij is gemaakt van de stof van het dekbed waar ik altijd onder slaap. Vlak naast me zit een hèèl klein jongetje. “Nu moet ik op!” roept hij opeens met heldere stem. Hij springt overeind.
Ik geniet van de wervelende energie van de dansers. Ik geniet van de jongens die geconcentreerd en vol spanning toekijken. Iedereen heeft zijn eigen plek. De voorstelling lijkt eindeloos veelzijdig. Met glimmende ogen kijk ik het kleine jochie na. Daar gaat hij, met ferme passen het toneel op.

Ik wacht nog even, voor ik mijn ogen open doe. “Zou ik straks òòk op mogen, ” vraag ik me slaperig af. “En wat leuk dat ik tussen die jongetjes zat in mijn bruine pij. Eigenlijk is dat ik ben, een levendig jochie en een monnik tegelijk. Maar ik ben ook de forse vrouw, die bouten en moeren sorteert en mensen verwelkomt. Ik ben als de dansers, die dansen tot de dag begint. Ik ben het allemaal.

Ik kijk tussen mijn wimpers door naar het lage ochtendlicht dat door de deur schijnt. Ik neem een slok water en voel hoe het frisse vocht mijn slokdarm in glijdt, rechtstreeks mijn arme maag in, die al vier dagen voelde alsof er een klomp ranzig vet in zat. Ik drink het glas helemaal leeg en zet het neer op de plank. Het prille licht door de deur maakt mijn huisje goudgeel en oudroze. Alles verandert in een ander licht. Misschien is het wel nodig, ziek zijn en herboren worden. De zon stijgt hoger en verdwijnt achter de dichte luiken, die voor mijn ramen zitten. Ik strek me een paar keer en klim opgewekt mijn bed uit. Het wordt een heerlijke nieuwe dag.

.

.