Een taal die niemand kent

.

.

Ik heb de kachel aangemaakt met kleine houtjes die ik gesprokkeld heb in het bos. Het is een koude ochtend. Ik kijk door het raam van mijn woonwagen naar de witte bevroren mist. Er is geen briesje, geen takje wat beweegt. Een paar mezen hangen aan de vetballen die ik ophing. Het Brabantse platteland maakt zich klaar voor de winter.
Ik kijk door het raam en luister. Ik heb een nieuwe CD, van Goran Bregovic en geniet met volle teugen. Vaska Jankovska, ik hou van haar stem. De muziek neemt mij mee naar buiten. Ik kijk en zie haar tere, heldere meisjesstem als lichte nevel over bevroren gras. Donkere klanken van de contrabas zijn als de natte kale takken, houterig en zwart van vocht. Alles lijkt in elkaar over te vloeien, de stem, de muziek en het verstilde landschap. Ik krijg kippenvel. Ik hoor wat ik vóór me zie. Wat is dit? Wat zingt ze in hemelsnaam?

“Aven Ivenda” lees ik op het beeldscherm. Dat is de titel. Ik zoek verder. Onder een filmpje op You Tube vind ik uiteindelijk de tekst van het lied. Het is geschreven in de taal van de Roma’s, het romani genoemd. Er staan veel reacties onder. Niemand weet de betekenis van de tekst. Ik ga verder op zoek naar een vertaling, maar die is er niet. Er is geen woordenboek van deze taal! Ook Bregovic zelf laat geen woord los over betekenissen. Het komt van een CD met verhalen en liederen van trouwerijen en begravenissen. Het is muziek uit allerlei culturen, het ene moment ingetogen poëtisch om vervolgens uit te barsten in feestelijke uitbundigheid, zo intens als het leven zelf.
Ik zoek en zoek. Maar waar ik ook kijk, nergens is een vertaling van de gezongen teksten en ook niet van dit prachtige lied.

Na een poosje vind ik iemand die meer weet, al is het dan alleen de titel.
Verwonderd staar ik naar de vertaling ervan. Het betekent “De winter komt…”
Notabene! Hier wil ik meer van weten.

De Roma zijn een volk dat veracht wordt. We noemen ze meestal “zigeuners”. Van oorsprong komen ze uit Azië en hun taal lijkt op Sanskriet. Ze zijn muzikaal en ambachtelijk en kunnen veel. Toch krijgen ze zelden respect. In Oost Europa kwamen velen terecht in een hard leven van slavernij. In de tweede wereldoorlog wachtte hen hetzelfde lot als de joden. Het zijn mensen bestempeld als dieven, onbetrouwbaar tuig en asociale schreeuwers. Ik kijk naar verschillende filmpjes, waarin dit beeld bevestigd wordt en een lange lijst met de even schreeuwerige reacties van Nederlanders die ernaar keken. Wat een tegenstelling is dit, met de poëzie van dit ingetogen lied!
Ik zie veel enthousiasme over dit gezongen gedicht, een lied van de Roma. Maar toch vind ik niemand die naar ze toe is gegaan om te vragen wat het betekent. Ik kan het laten liggen. Net als de anderen zeggen, dan weet ik het maar niet. Maar dat zou jammer zijn. Het is zo mooi. En ten slotte woon ik ook in een huis op wielen, net als zij. Als ik het echt wil weten, moet ik zelf op zoek gaan. Op zoek naar één van die Roma. Ergens mòet toch iemand zijn die het me kan vertellen.

.

Sa gada guglije munrrije sa gada dilije
Ucharla iva parne
Thaj duj cikne asvora
Sar duj cirikljora
ivja furjan
Ileja
Aven Ivenda

So te cera romano kopile
Vo isuso sas kopile
Thaj cerlas katar o paj mol
Kale themeja men ustavasa
Punrro ci mekasa
Lundze droma
Ileja
Aven Ivenda

.

.

.

.

Advertenties

Straks is het heel gewoon

.

Lekker hangen aan een oersterk dak. Het zit tjokvol schapenwol, het is warm en nog geventileerd ook. Met zo’n dak blijf ik gezond en lenig als een aap, al word ik honderd. Hoe de wereld er ook uit ziet in 2065, ik ga er voor.

.

De telefoon gaat. “Hallo met Hanna, ik ben student journalistiek. We hebben elkaar ontmoet in Tilburg op het perron en u vertelde over uw manier van leven en dat u zelf uw huis bouwde. Nu moet ik iemand interviewen die controversieel is. Ik dacht meteen aan u.”
Ik zeg haar dat ze welkom is en we maken een afspraak.

Later denk ik na over het woord “controversieel” Waarom is mijn manier van leven controversieel? Wekt het tegenspraak op? Het is meestal het tegenovergestelde. Ik kom veel vaker mensen tegen die er ook van dromen, maar het niet doen, dan mensen die er wat op tegen hebben.
Ik denk veel na over alle goede invloed die mijn manier van leven heeft op de omgeving. Ik gebruik weinig energie, ik heb weinig nodig en kan daardoor veel aandacht besteden aan mijn omgeving. Daarom tuinier ik veel, ik composteer alles wat er binnenkomt. Ik maak de grond rijker, de wereld mooier en waar ik ben wemelt het al gauw van de bloemen, hommels, vlinders en vogels. Als het moet, kan ik makkelijk verhuizen naar een plek waar ik nodig ben.
In deze tijd van klimaatverandering, ernstige bedreiging van de diversiteit en grondstoffen die op beginnen te raken, zou deze manier van wonen omarmd moeten worden. We moeten drastisch anders gaan leven, willen we het redden.
Inmiddels is ook duidelijk dat Antartica veel en veel sneller afsmelt dan gedacht en dat de zeespiegel aan het einde van de eeuw niet slechts een enkele meter, maar een aantal meters gestegen is.
Ik ben er niet bang voor. Ik denk ook niet, dat maak ik toch niet meer mee. Ergens is het in mijn bewustzijn, dat dit al in mijn leven kan gebeuren. En dan is het goed om mobiel te zijn, en zelfvoorzienend. Dan is het handig om je te kunnen redden met de gereedschappen die je hebt en het goed te kunnen vinden met de mensen om je heen.
Regels worden steeds strakker. Het zou juist andersom moeten. Om ons aan te kunnen passen aan de snel veranderende wereld, zou er meer ruimte moeten komen om te experimenteren met andere woonvormen. Zoals ik het op mijn manier doe. Als je ruimte krijgt om te spelen, dan merk je wat je ècht kan. Zelfvertrouwen groeit en je weet dat je je ook in moeilijke situaties kan redden.

Spelen maakt dat
enge dingen
zich gaan ontpoppen
tot uitdagingen

Hoe meer mensen de sprong maken, hoe meer er zullen volgen. Een leven zoals het mijne? Straks is het heel gewoon. Dat hoop ik zò!

.

In dit spannende filmpje van 10 minuten kun je het hele verhaal volgen. Als je meer wilt weten over details van hoe ik het gedaan heb, bekijk de andere video’s of kom langs!

.

.

.

Wat vind ik in mijn schoentje

.

Wie heeft er nou een huis dat weet wanneer het sinterklaas is? Vlak voor 5 december, vond ik zomaar iets in mijn schoen. Ik was maar heel even weggeweest..

.

Mijn kleine huis zit vol verrassingen. In het ontwerp heb ik gekke bergruimtes getekend, waarvan ik nog niet precies wist waarvoor ik ze zou gebruiken. Ik maakte ze omdat ik gek ben op onverwachte ruimtes. Zo maakte ik in het dak, pal boven de deur, een luikje. Het is maar twintig centimeter in het vierkant en het zit vastgeklemd in de constructie van de nok. Je moet eraan trekken om het te openen. Aan de buitenkant, in de gevel, is dit bergplaatsje ook toegankelijk.

.

.

.Als je het luikje open doet, zie je aan de binnenkant twee geschilderde kwikstaarten. Zij waren de eersten die in mijn nieuwe huisje wilden gaan wonen. Het paar wilde in dat leuke hokje een nest maken. Waarschijnlijk schrokken ze zich wezenloos toen opeens het klepje openviel en ze naar beneden vielen.  Ik vond twee gevangen kwikstaarten in mijn huis, die niet meer wisten hoe ze hier verzeild waren geraakt. Het is dus een klepje wat ineens open kan gaan. Dat wist ik toen. Ik heb het expres zo gelaten.

.

.

Ik heb er mandarijnen in gestopt. Gewoon, omdat het zo hoort. In een bergruimte, daar stop je iets in. Dus waarom geen mandarijnen. Zo lagen ze er dagenlang en ik was al helemaal vergeten, dat het luikje open kon vallen.

En toen gebeurde het. Ik ging alleen maar even de kippen voeren. Ik kwam gelijk weer terug, keek  met stomme verbazing in mijn schoen en lachte.

Tijdens mijn korte afwezigheid, vlak voor sinterklaas, vielen de mandarijnen precies in mijn schoen. Wat heb ik toch een heerlijk huis.

 

.

.

Lang leve de bezielde pionier

Met aan het slot nieuws over een leuke ontwikkeling.

 

.

                                                                     De bezielde pionier

 

Een groepje mensen klopt aan bij de gemeente. Ze zijn geïnspireerd om het anders te doen en willen leven op kleine voet: Wonen in hun eigen Tiny House. Zo goed mogelijk leggen ze uit wat de bedoeling is. Dan horen ze dit: “We willen een heel strak beeld van wat een Tiny House is, voor we met jullie in zee gaan.” Ze zullen niet de eersten zijn, die hun tanden stuk bijten op zo’n eis.

.

Het is ochtend. Ik heb net mijn oefeningen gedaan en sta fris en helder achter mijn laptop. Ik kijk naar mijn berichten, gooi de helft er ongezien uit en vind een uitnodiging van een vriendin. “Ga je mee naar de open dag van een Tiny Houseproject?” Ik kijk ernaar en zie dat het in de buurt van Den Haag is. Vorige week begon er ook al iemand over. Misschien moet ik er toch maar eens naar toe. Ik weet dat er een plek vrij is en je weet maar nooit hoe een balletje rolt.

Ik schrijf een korte brief. Ik ben geïnteresseerd in de mogelijkheid om aan te schuiven. Kan het nog? Ik plaats er een mooie foto bij van mijn huisje.

Het antwoord komt snel. “Nee, we hebben al een gegadigde en bovendien zoeken we een ander soort Tiny House. Warme groet.” Verbouwereerd staar ik in de verte. Het is nu de tweede keer dat ik zoiets hoor. De warme groet helpt maar weinig aan het feit dat ik me in de kou gezet voel. Wat krijgen we nou, ik heb een paar maal het gedachtegoed van het kleine wonen vertegenwoordigd, met volle overtuiging. En nu krijg ik deze afwijzing. Ik vraag me af waarom.
Is wat ik maak te kleurrijk, te authentiek? Daar ben ik dan mooi klaar mee. Ik wil niet worden weggezet aan de rand van de samenleving, als een veel te unieke paradijsvogel. Ik wil er middenin staan. Ik wil dat nog veel meer mensen dit kunnen doen. Een rijk en veelzijdig pallet van bedrijvige enthousiastelingen, dat wil ik zien. Ik meende dat ik met mensen te maken had die hetzelfde dachten. Blijkbaar is dat niet zo.
Is er zoveel verschil tussen hen en mij? Ik gebruik dezelfde eco-materialen. Ook ik heb een dikke laag isolatie van schapenwol, zonnepanelen, een lithium-ion accu en een infraroodpaneel voor kille zomerdagen. En straks komt er een grote opvouwbare zak onder mijn huisje voor opvang van regenwater. Ik kan het zuiveren tot drinkwater met een nanofilter. Ik kijk, ik onderzoek en vertel er over, zodat anderen er ook wat aan hebben.
Met al die dingen zijn ook deze Tiny House bewoners bezig. En toch mag ik hier kennelijk niet meedoen, niet onder deze, steeds populairder wordende naam.

.

Elke creatieve vernieuwing die de maatschappij omarmt, wordt in regels vertaald. Gemeentes en instanties willen wel meedoen, als ze ermee kunnen scoren. Steeds meer wordt gezocht naar wegen voor een groen imago. De omarming van die nieuwe ontwikkelingen gaat vaak gepaard met controledrift. Er moeten wèl scherpe voorwaarden zijn! De eerste emotie is angst, angst voor excessen. “We willen een heel strak beeld van wat een Tiny House is, voor we met jullie in zee gaan.” Goed bedoelende pioniers zullen op deze eis hun tanden kapot gebeten hebben. Mensen worden uitgekozen of buitengesloten. Het eenvormig korset perst de ziel eruit. Stukje bij beetje kwijnt de creativiteit en hapert de hartslag. Het zal niet de eerste keer zijn dat dit gebeurt. Wanneer er grotere belangen in het spel komen, verandert alles.

.

Ik schrijf een bericht naar een vriendin. Ze is een hartelijke vrouw die met volharding en geduld veel voor elkaar krijgt. Bij haar zal ik open oor vinden. Ze is al jaren bezig een nomadendorp voor elkaar te krijgen, in Friesland. Ze blijft scherp haar Poolster in de gaten houden, het vrijheidsideaal wat ze vóór zich ziet. Een wereld waarin creativiteit juist wordt omarmd en beloond, in plaats van ingepakt en weggezet. “Hoe is het met je dorp, komt het er nog? Ik zou er bijna gaan wonen, als het er was. Je bent een echte vrijdenker Irma! Dat mag ik aan je.” Dat schrijf ik haar.

“Dank voor je compliment!” schrijft ze terug. “Ons project is bijna helemaal rond: Frijlân. We zijn een groep vrouwen die creativiteit, zelfredzaamheid en samenwerking willen. We hebben elkaar hierin gevonden. Wat je beschrijft ervaar ik ook zo. De grotere partijen gaan aan de haal met wat we eigenlijk in essentie zoeken en willen: kleinschalig wonen met een minimum voetafdruk. En niet grondgebonden. Jij bent voor mij juist iemand waar we heel veel behoefte aan hebben om te laten zien. Je bent voor ons een inspirerende persoon die meer dan welkom is! Je vertegenwoordigt waar wij voor staan. Je bent dus van harte welkom om langs te rijden en wie weet… Glimlachend lees ik haar woorden. Heerlijk. Na de koude douche van zojuist, is dit een warm bad. Kon het altijd maar zo zijn…

.

Hoe kan ik met mijn werk meehelpen aan een veelkleurige, menselijke wereld? Ik denk er de rest van de dag aan en de hele nacht daarna. Na twee uurtjes slaap kom ik tot een eenvoudige conclusie. Ik maak wat ik maak. Wie het ziet, ziet het. Het zal hoe dan ook zijn werk doen.
Ik denk ook na over de afwijzingen die ik kreeg. We hebben allemaal te maken met de gevestigde orde en regels. De keuzes die we maken zijn lang niet altijd de onze. Hoe lang houd je het vol op jouw eigenwijze weg? Ik hoop dat mijn blog daarin een stimulans kan zijn. Tegelijkertijd ben ik een generator. Ik hoop door wie ik ben en wat ik schrijf, energie te kunnen geven aan wie het nodig heeft, op zijn of haar unieke weg.
Sommige mensen hebben als pionier een zware taak gekozen. Juist hèn draag ik nu een warm hart toe en ik ondersteun ze graag met dit verhaal.

Eén zo’n pionier is Jos de Blok van Buurtzorg. Waar hij zijn schouders onder gezet heeft in zijn eentje, dat is ongelooflijk. In dit interview van Tegenlicht kun je hem zien en horen. “Zorgeloos leven volgens Jos de Blok”, zo heet het.

 

Bekijk de uitzending

.

NIEUWS

Ik heb de eerste prijs gewonnen met een fotowedstrijd van Milieudefensie. Het thema was “Eerlijk omkeren”. Het is een foto van mezelf in mijn mini-huis. Ik noemde deze afbeelding:  “Mijn heerlijke wooncocon.” De foto, inclusief vijf begeleidende volzinnen, komt in het tijdschrift “Actief” in december. Als het zover is laat ik het zien.

 

Lees hier over de wedstrijd

.

.

PS Naar aanleiding van dit blog sprak ik met Frieda Bakker, die veel actief is met Tiny Houses in Amerika. Zij vertelde dat hier een zelfde soort ontwikkeling plaatsvond, met aanvankelijke verstrakking in norm en vorm. Het is verheugend om te horen dat ze daar ook weer zijn uitgegroeid. Het is een logische ontwikkeling. In elk begin worden de contracten getekend en de regels vastgesteld en moet het vertrouwen groeien. Als dat er is, komt er steeds meer ruimte voor flexibiliteit en keert de creativiteit terug. Zou dat hier nu ook gaan gebeuren? Nederland is Amerika niet. Maar toch…

.

.

Het ontwerpen van de buitenkeuken

.

.De woonwagen met markies en buitenkeuken, zoals het nu is.

 

Het is avond. Buiten schijnen de sterren helder in een zwarte lucht. Die kun je hier goed zien. Maar ik zie ze niet. Ik ben binnen. De luiken zijn dicht en houden de warmte goed binnen. De kachel brandt zachtjes.
Het is al bijna tijd om naar bed te gaan. Maar ik ben nog klaarwakker. Ik vraag me af wat ik ga doen. Blijf ik hier nog een poos op deze camping, of ga ik weg? Ik denk aan mijn rugzak, mijn hangmat, mijn winterjas en mijn elektrische kettingzaag. Ik heb al zoveel keren opgeruimd en dingen weggedaan, dat ik haarscherp voor me zie, wat ik nog wèl heb. En ik weet, het kan er niet in. Ik kan niet alles kwijt in mijn “kelderkast”. Bovendien is het niet handig om daar alles in te stoppen. De helft van die ruimte is bedoeld voor dingen die ik niet vaak nodig heb.

Ik moet nòg meer dingen weg doen, dat is het eerste wat er door me heen gaat. Als het moet, dan moet het. Met spijt denk ik aan mijn overgebleven gereedschappen, waarmee ik deze wagen heb gebouwd. Ik besef dat ik op de bodem ben gekomen. Ik heb weggedaan wat ik niet nodig heb, maar zonder gereedschappen ben ik onthand.
Ik wil nog verschillende dingen. Er moet dus extra bergruimte komen. Ik wil ook een betere keuken. Er komt een transparant zeil, zodat je er droog en uit de wind kan zitten. En ik wil een keukentafel. De ideeën rijgen zich aan één. Ik kan de keukentafel zò maken dat het tegelijkertijd een compacte en toegankelijke berging is. Het zeil hangt eroverheen. Bij een verhuizing tillen we de kar gewoon naar binnen. Ik zie het allemaal voor me, zo helder dat ik niet kan slapen. Maar dat geeft niet. Ik ben blij. Want ik weet wat ik ga doen.

De volgende dag ben ik aan het tekenen. Uur na uur gaat  voorbij, terwijl mijn zonnige vensterbank vol potloden ligt en op de lessenaar ligt mijn tekenvel. De ene na de andere tekening vormt zich en mijn linker en rechterhersenhelft communiceren druk met elkaar. Tijdens het tekenen zie ik steeds meer mogelijkheden. Dit wordt een multifunctionele keukenkar!

 

 

 

De keukenkar moet een eenheid vormen met de woonwagen. Het transparante zeil wordt afgewerkt met randen, drukknopen en ogen. Het hangt over de keukenkar heen. Er zijn twee vleugels waarop het zeil kan worden bevestigd. Die zitten vast met een pianoscharnier. Ze kunnen inklappen.

.

 

Aan weerszijden van de keukenkar zitten grote laden. Ik heb ze gedecoreerd met dunne triplex, zodat er een reliëf ontstaat. In het midden is ruimte voor een aanrechtkastje en een ondiepe kast waar schoonmaakspullen in staan. De kar is verplaatsbaar. Er zitten aan de ene kant wieltjes onder en aan de andere kant pootjes. Zo kan je ermee rijden als met een kruiwagen. De vleugels staan nu omhoog. Ze zijn bespannen met het transparante, UV bestendige zeil.

.

 

Middenin de kar zit een gat. Er zit een dop op het gat, die kan je eruit trekken. Daar zet je dan een parasol in, of een vissersplu. Je kan de kar in de zomer verder van de wagen afzetten, zodat er meer ruimte omheen komt.

.

 

Tijdens het tekenen merk ik dat ik ronde vleugels mooier vind dan strakke, rechte. Ik vraag me af of ik een vissersplu mooier vind.

.

 

Al gauw kom ik op een nieuw idee. Die vissersplu wordt hem niet. Ik kan maken dat de vleugels uitgeklapt kunnen worden. De tafel wordt zo hartstikke groot. Er kunnen wel tien mensen aan zitten. Dan is zo’n vissersparaplu te klein. De zijstukken zitten vast met een pianoscharnier en worden ondersteund door de deurtjes. Er is een hoogteverschil, de bovenkant van de deurtjes is zes centimeter lager. Daarom maak ik een dikke plank met inkepingen. Die kun je dwars over de deurtjes heen leggen. De tafel wordt daardoor tegelijkertijd beter ondersteund. De deurtjes worden aan de onderkant op hun plek gehouden met pennen in de grond.

.

 

Dit is de lijst met materialen. Het is een heel denkwerk. Elke keer als ik er een functie bij bedenk en de kar nóg meer mogelijkheden geef, verandert alles weer. Toch is het volgens mij gelukt om een overzicht te maken.

Een duidelijke overzichtslijst scheelt enorm. Ik kan de stukken plaatmateriaal al in de winkel op maat laten zagen. Dat kost maar 50 ct per zaagsnede, dus voor 5,50 heb ik al wat werk uit handen gegeven èn ik kan het makkelijk meenemen op de fiets. Heel fijn dat zij voor mij een kant en klaar pakketje kunnen maken. Maar daarmee ben ik nog niet klaar. Er gaat altijd meer tijd in zitten dan je denkt.

En straks! Ik fantaseer al hoe ik in mijn keuken één pansgerechten kan maken, maaltijden met wilde planten er in en zelf verbouwde groenten. Eén voor één kunnen mensen aanschuiven aan de grote tafel. Wat een mogelijkheden… Bovendien passen de keukenkar, mijn fiets en het fornuis precies in de ruimte van mijn wagen. Verhuizen is geen probleem. Ik hoop dat ik in de lente klaar ben. Maar dat weet je nooit. Dus eerst maar genieten van dit mooie, nieuwe project.

.

.

De eigenwijsheid van taaie tachtigers

.

.

Ik heb familiebezoek. Mijn vader is gekomen, met één van mijn drie broers. Mijn vader is acht-en-tachtig. Meestal rijden mensen op die leeftijd met hun kinderen mee, maar voor hem geldt dat niet. Hij is een rondje aan het doen, met de auto. Eerst naar zijn ene zus in Sleeuwijk, dan met zijn zoon uit Tilburg naar zijn dochter in Haghorst en als laatste naar zijn andere zus in Nijmegen. Na een lange dag en volgestopt met koek en thee, rijdt hij terug naar zijn huis in Emmeloord.
Nu is hij hier. Het is een flitsbezoek.

“Het is mooi weer,” zeg ik “Zal ik thee zetten? Dan gaan we buiten zitten.” Dat vinden ze een goed idee. “Maar ik wil toch ècht eerst je wagen zien.” Mijn vader taalt niet naar thee, eerst dit! Nieuwsgierig stapt hij via het veilingkistje het bordes op. Hij probeert de dikke deuren open te duwen maar het lukt niet. “Aan de ene deur trekken, tegen de andere duwen,” leg ik uit. Het lukt. Misschien toch eens een schuifje opzetten, denk ik nog even. Dan hoef ik het niet steeds te zeggen…

Binnen gekomen ziet hij als eerste de kachel staan. “Heee! Staat er op die kachel, Je brule tout ’l hiver??” Ik knik bevestigend en kijk naar zijn verbaasde gezicht. “Dat stond vroeger ook op onze kachels!” Het is alsof hij plotseling met één voet in een tijdgat is gestapt en nu met de snelheid van het licht wordt terug getrokken naar een andere ruimte. Een plek die ik niet ken. Een ander leven in de tijd dat hij nog een jongen was en gefascineerd op zijn knieën de letters ontcijferde, die er op het metalen plaatje stonden.
De herinnering vervaagt, ik zie zijn blik terugkeren naar het hier en nu. Er is nog veel meer te zien. “Is dit de bank?” vraagt hij. Het is een beetje hoog voor een kleine oude pa als de mijne. Maar voor ik heb kunnen zeggen dat het inderdaad de bank is, springt hij licht en lenig met een sprong omhoog. “Dat zit lekker,” lacht hij triomfantelijk.
“Hier kun je ook zitten.” Ik pak de plank die langs de wand staat en laat zien hoe je hem overdwars in de wagen kan plaatsen, zodat het een laag bankje wordt. Hij kijkt rustig toe. “Ooo.. Dat is voor mensen die dit niet meer kunnen,” zegt hij. Tevreden wiebelt hij met zijn benen en gaat uitgebreid rond zitten kijken.

Je kunt je afvragen, hoe kan je met het klimmen van de jaren toch zo jong blijven? Behalve mijn vader, heb ik in mijn leven nog twee supertachtigers gekend. Eens werkte ik in een biologische winkel. Er was een lange, kaarsrechte man die regelmatig kwam. Hij was zelfs geen tachtiger meer, hij was al twee-en-negentig! Hij liep vijfhonderd kilometer per maand, al jàren.
Later hielp ik in de huishouding bij een oude intelligente dame. Ze heette Lenie, maar ik noemde haar keurig mevrouw Mossel. Ze deed elke dag oefeningen en liep ik weet niet hoe vaak de trap op en neer.
Zo doe ik het ook. Dat heb ik al lang geleden met mezelf afgesproken. Ik wist het al toen ik twaalf was. Ik wil bokje springen op mijn tachtigste, aan de ringen hangen als ik negentig ben. En als ik honderd ben slinger ik nog altijd aan taaie takken, die mijn tengere, maar zo gespierde oude lijf makkelijk kunnen dragen. Samen met mijn vriendjes.

Mijn vader heeft altijd een regelmatig leven geleid. Nooit gedronken, altijd goed geslapen. Hij was nooit ziek. Er waren geen uitspattingen. Hij hield van werken en daar houdt hij nog steeds van, al is het tempo iets teruggelopen. Hij geniet nu ook van even niets te doen, veel meer dan vroeger. Hij poetst het huis en werkt in de tuin. Hij kan nog steeds hard lopen, of een kleinzoon op zijn rug nemen. Aan zijn lijf is geen greintje vet teveel, zeker niet nu hij ouder wordt. Ik herken veel in hem. Maar net zoveel herken ik in mijn creatieve, hartelijke en ruimdenkende moeder, die acht jaar geleden stierf. Ze was een lieve vrouw. Mijn man hield veel van haar, toen ze allebei nog leefden.

Mijn liefste man verliet de wereld toen hij vijf-en-dertig was. “Het was kort maar krachtig,” zei hij, vlak voor zijn laatste ziekbed. “Maar jij…” zei hij “Jìj gaat hèèl oud worden.” Ik keek hem aandachtig aan.

“Dat geloof ik ook.”

.

.

Op verzoek van mijn vriendin

Els uit Utrecht, heb ik een

filmpje gemaakt over mijn

ochtendoefeningen.

.

.

.

.

Opnieuw aan het werk

.

.

We zitten in de buitenkeuken te ontbijten. Het waait en het miezert. De groen met grijs gestreepte markies moet ons tegen de regen beschermen. Als je heel dicht tegen de wagen aan gaat zitten word je inderdaad niet nat. Maar dat bevoorrechte plekje is maar voor één persoon. De ander heeft pech.
“Mijn kont is nat,” zegt Dick. Hij heeft een korte broek aan getrokken, om zijn lange broek droog te houden. Natte benen vindt hij niet erg, die kun je afdrogen. Best een bikkel, die Dick. Op zijn grote blote knieën balanceert een houten bord met een vers afgesneden boterham. In zijn linkerhand houdt hij de pot appelstroop vast, in de rechterhand het mes. De boterham schuift bijna van het bord, wanneer hij probeert zonder het brood vast te houden, de appelstroop er op te smeren.
Ik kijk naar het flapperende doek, dat ik met knijpers aan de markies heb gehangen, om een windvrij hoekje te maken. Het helpt maar een beetje.
”Ik zal er eens over denken hoe ik dit kan afsluiten, tegen wind en regen.“ Dick knikt. “Goed plan. Er zouden ook meer plekken moeten zijn waar je iets neer kan leggen.”
Het is hem gelukt om een paar likken stroop op zijn brood te krijgen. “Ik ben benieuwd hoe je dat gaat doen. Het zal gezellig zijn als hier wat meer ruimte is.”

Ik heb gezegd dat de woonwagen af was. Maar mijn keuken is nog steeds een geïmproviseerd rommeltje. De vloer is kale grond. Er ligt een klein plankje om op te staan, maar dat zakt langzaam maar zeker het zand in. Soms mors ik wat en dan denk ik: “Ach wat maakt het uit, het zakt wel in de bodem.” In het begin vond ik dat wel handig, maar met het verstrijken van de tijd, werd dat steeds minder. De aarde domineert mijn keuken meer en meer. Alles is constant bedekt onder een laagje zand, niets is ooit echt schoon. Langzaam maar zeker verslonst het, staan er steeds meer potten vuil te worden op de kale grond, omdat er nog altijd geen duidelijke plek is waar ik dingen op wil bergen.

Dat moet anders. Dus terwijl buiten de zon schijnt en een koude harde wind over de velden waait, sta ik achter mijn raam en maak een ontwerp. Ik maak er een sterke wind- en waterdichte hoek van. Ik teken het uit op een stuk papier, ik meet en maak sommen. Het moet transparant zijn, zodat de markies goed tot zijn recht komt. Het moet dezelfde ronding als de markies hebben, waar het aan hangt. Naar onderen moet het breder uitlopen zodat er ruimte komt voor drie mensen. Ik schrik van al het materiaal dat ik er voor nodig heb, allereerst is dat dik raamfolie, UV bestendig, glashelder. Behalve dat, bestel ik enkele tientallen meters watervaste afwerkingsband, watervast garen, roestvrijstalen ogen en drukknopen. Het wordt een hele lijst.

Iets maken wat goed en duurzaam is, dat kost wat. Het kost tijd, geld, energie en het vraagt een hele hoop geduld en doorzettingsvermogen. Maar dan hèb je ook iets. Zeker weten!

.

Kon je maar gaan springen, rennen
En de volgende stap
verkennen

Maar
je bent nog niet
klaar

Eigenlijk weet je ’t best
je kent de gaten, de gebreken
je dacht dat kan ik wel zo laten
gauw heb je de andere kant op gekeken

Dus daar is het fluitje
en terug ben je weer

Je kijkt het nog eens na
en nog een keer
en nog een keer

Je werkt er aan

tot er iets
gebeurt
waardoor je
verder rolt.

Pardoes daar is
een nieuw bestaan

Grondigheid als sleutel
naar de volgende stap
om te gaan.

.

.

.

De ganzen achterna

.

.

Soms wacht je ergens op
als op een vertraagde trein.
En tussen de gelaten menigte
is er niemand die iets zegt
waarom hij laat is en
of hij nog komt.

Je kijkt om je heen
verloren in het moment.
Tussen uitdrukkingsloze gezichten
valt het vuurrode blad
van een esdoorn.
Waar wachten we eigenlijk op

Er vliegt een groep gakkende ganzen over
Verwachtingsvol kijk je omhoog
en ziet het ritme van klappende vleugels.

Weg zijn ze alweer.

De menigte blijft staan
als een lamgeslagen lichaam
met duizend dromende ogen
die in ‘t geheel geen ganzen zien.

Je kijkt naar je wandellaarzen
die stevig staan op kletsnatte klinkers
je voelt je vragende voeten.

Energie stroomt waar beweging is.
Kom,
je wacht niet langer,
je gaat lopen.

De ganzen achterna.

.

.

Nacht van wording

.

.

Ik zit beroerd en misselijk op de bank. Zelden ben ik ziek, maar nu heeft het me toch te pakken. Af en toe probeer ik kokhalzend een hap waterige haverpap met lijnzaad naar binnen te werken. Je moet toch wat. Lijnzaad doen ze ook door het voer van paarden als ze iets hebben. Dus moet het bij mij ook werken. Als ik mezelf zielig begin te voelen dan denk ik aan een zwerver. Die zit in een kartonnen doos onder een brug. Ik woon in een fijn zelfgebouwd huisje. Met die gedachte leg ik mijn hoofd berustend in het kussen en slaap weer in.
Ik slaap de hele nacht en ook overdag. Ik laat me weg zinken, dompel er in onder. Elke keer als ik mijn ogen opendoe, voel ik me weer een stukje beter. De ene dag na de andere gaat voorbij. Tot er vier dagen om zijn en de vijfde nacht aanbreekt. Die nacht gebeurt er iets bijzonders.

Ik sta bij een poort. Binnen hoor ik muziek. Het is feest. Overal zijn mensen, er binnen en hier buiten. Verlangend kijk ik door de openstaande deuren. Ik heb mijn handen nog vol bouten en moeren van het bouwen.
Een forse vrouw met een lange rok ziet me staan weifelen en begrijpt me direct. “Gooi hier maar neer. Wij sorteren ze wel,” Er liggen er al veel meer, schroeven, bouten, moeren, netjes gesorteerd in bakjes. Ik gooi alles erbij en daarna voel ik me een stuk lichter. Blij ga ik naar binnen.

Meteen beland ik middenin een zaal met wervelende danseressen. Daar om heen spelen muzikanten. Ik kijk ademloos naar het schouwspel. Dan fluistert iemand mij iets toe. Hij staat in de schemering, achter de coulissen. “Het is jouw tijd nog niet, jij komt straks pas. Je hoort dáár.” Hij wappert met zijn hand en ik kijk opzij. Er zit een rij jongetjes op een gymbank. Ze hebben bruine pijen aan. Ik ga bij ze zitten, aan het einde van de rij. Nu pas zie ik dat ik ook een bruine pij aan heb, die niet eens zoveel verschilt van de hunne. Hij is gemaakt van de stof van het dekbed waar ik altijd onder slaap. Vlak naast me zit een hèèl klein jongetje. “Nu moet ik op!” roept hij opeens met heldere stem. Hij springt overeind.
Ik geniet van de wervelende energie van de dansers. Ik geniet van de jongens die geconcentreerd en vol spanning toekijken. Iedereen heeft zijn eigen plek. De voorstelling lijkt eindeloos veelzijdig. Met glimmende ogen kijk ik het kleine jochie na. Daar gaat hij, met ferme passen het toneel op.

Ik wacht nog even, voor ik mijn ogen open doe. “Zou ik straks òòk op mogen, ” vraag ik me slaperig af. “En wat leuk dat ik tussen die jongetjes zat in mijn bruine pij. Eigenlijk is dat ik ben, een levendig jochie en een monnik tegelijk. Maar ik ben ook de forse vrouw, die bouten en moeren sorteert en mensen verwelkomt. Ik ben als de dansers, die dansen tot de dag begint. Ik ben het allemaal.

Ik kijk tussen mijn wimpers door naar het lage ochtendlicht dat door de deur schijnt. Ik neem een slok water en voel hoe het frisse vocht mijn slokdarm in glijdt, rechtstreeks mijn arme maag in, die al vier dagen voelde alsof er een klomp ranzig vet in zat. Ik drink het glas helemaal leeg en zet het neer op de plank. Het prille licht door de deur maakt mijn huisje goudgeel en oudroze. Alles verandert in een ander licht. Misschien is het wel nodig, ziek zijn en herboren worden. De zon stijgt hoger en verdwijnt achter de dichte luiken, die voor mijn ramen zitten. Ik strek me een paar keer en klim opgewekt mijn bed uit. Het wordt een heerlijke nieuwe dag.

.

.

 

 

 

 

Wat is vrijheid in je eentje

.

.

Vrijheid is geen vanzelfsprekendheid. Voor niemand. Het is een spoor, dat alleen gemaakt kan worden als meerdere voeten het betreden.

En hier sta ik nu, in de deuropening van mijn zelfgebouwde woonwagen. Ik kijk naar het vochtige gras in de avond. De lucht kleurt oranje aan de westkant, boven de bomen van de vijver. Die rust! Ik geniet er nog steeds van.
Het voelt als een bevrijding, een leven met weinig bezit, te wonen in mijn eigen kleine huis op wielen. Ik kan gaan waar het leven me brengt. Ik kan ook blijven waar ik ben. Ik ben vrij. Dat dacht ik. Maar is dat zo? Vandaag kwam er een vrouw, die me aan het denken zette.

Ik wist dat ze zou komen en nu is ze er. Een vrouw met lang blond haar, ergens in de dertig. Ze maakt een tocht langs allerlei adressen, om rond te kijken. Ze heeft een plan en wil weten of het kan. Mijn blog heeft haar bij mij gebracht en ze vertelt enthousiast wat haar bedoeling is. Ze zal haar eigen huis gaan bouwen, een klein huis op wielen. Terwijl ze erover vertelt, zie ik ook twijfel in haar ogen. Kan ze het wel? O, ze heeft vast en zeker hulp nodig! Iemand met kennis van zaken… En waar zal ze het gaan doen? Ze wil graag in de buurt zijn van haar vrienden, of dichter bij haar lief.
“Mijn vriend heeft het heel druk,“ vertelt ze nadenkend. “Hij wil graag zelfstandig worden, dingen gaan maken die hij echt wil, meubelen van staal. Maar hij durft niet. Nu verdient hij goed, met zijn baan. Hij heeft er veel spullen van gekocht, een boot, een loods, een camper, een auto, en die spullen kosten een hoop geld. Hij heeft dat geld nodig. Maar hij wil zo graag vrij zijn, ik zie zijn ogen glimmen als hij het er over heeft…“
Ik luister aandachtig. “Misschien kan jij hem inspireren, als je je eigen huisje gaat bouwen.”
Ik zie een vonk van hoop in haar ogen. “Ja, als ik hem kan laten zien dat het kàn!”

Laten zien dat het kàn. Dat heb ik gedaan. Ik heb er verhalen over geschreven en gemerkt dat er veel meer mensen zijn met dezelfde droom. Maar hoe nu verder? Moet ik nu in mijn eentje mijn gewonnen vrijheid gaan vieren, is dàt het dan??

Met deze vraag nog in gedachten, zet ik de radio aan. Het is zeven uur, tijd voor mijn favoriete programma, Passaggio, op Radio 4. Lex Bohlmeijer, de presentator, begint altijd met iets te vertellen wat hem die dag raakt. Dit maal is het een boek. Wat hij vertelt treft mij. Terwijl ik luister, vervaagt het beeld van de blonde vrouw, die ik vandaag sprak. Het maakt plaats voor een zwarte vrouw en ze leefde meer dan 150 jaar geleden in het verre Amerika.

“Harriet Tubman and the Underground railway”, zo heet het. Het gaat over een vastberaden vrouw, die zich losmaakt uit een leven van slavernij. Ze maakt een levensgevaarlijke tocht door moerassen en langs rivieren. Door de modder bereikt ze illegale treinen, die ‘s nachts door het land rijden. Bij de stations hebben haar contactpersonen haar komst al voorbereid. Alleen al om die treinen te bereiken, dat is een hele opgave.
Als ze na een lange, barre tocht de vrijheid in het noorden heeft bereikt, weet ze dat ze terug moet.

Vrijheid in je eentje is geen vrijheid. Ze weet het zeker.

Ze gaat terug om ook haar vrienden en familie op te halen. Elf keer gaat ze terug en neemt honderden anderen mee. Ze reizen bij nacht. Ze lopen door het water zodat de bloedhonden hun spoor niet kunnen volgen. Ze zingen spirituals om elkaar te laten weten dat de kust veilig is. “”Go down Moses” zingen ze, en al zingend geloven ze er in. Hun vrijheid gloort aan de horizon, als de opkomende dageraad.

Vrijheid is geen vanzelfsprekendheid. Ook voor ons niet. Het is een spoor. Het is een spoor dat loopt langs mensen waarvan je houdt en die van jou houden. Het is als een land dat we zelf moeten maken, los van de kille berekenende wereld. Het is een route die je zelf helpt uit te zetten, door je te verenigen met gelijkgestemden. Door het verhaal te vertellen, het lied te zingen, dat herkenning vindt. Dàt is het spoor, dat vrij maakt.

.

.

.

.