Potten voor Friesland

 

.

Met mijn karretje achter de fiets draai ik een zanderige oprit op. Het pad wordt omringd door bomen en er staat een bordje: “Theetuin” bij. Naast het bordje staat nog een bord, “Natuurlijke bomenkwekerij.” Hier moet ik zijn voor de grote plastic bloempotten die ik nodig heb. Ik bel aan de huisdeur. Prompt komt een man aangelopen, achter het hek waar de kwekerij is en hij opent het.
“Ik kom de potten halen! Is de theetuin ook van jullie?”
“Jazeker. Maar het is nu gesloten,” zegt hij.
Spijtig kijk ik naar de lichte ruimte achter de glazen deur en draai me om. De man, een veertiger met een krullebol, loopt tevreden grijnzend voor me uit naar de potten. “Ik wil er tachtig. Ik ga naar Friesland verhuizen en neem boompjes mee.”
“O, je zoekt de vrijheid op! ” merkt hij op.
“Ja!” roep ik verbaasd “Zo heet het, Frijlân. Daar worden de boompjes geplant, in de herfst pas, als het dan goed is.”
“O dat kan wel, blijven water geven hè!” lacht hij.
Ik knik. Ik ben vastbesloten om de jonge scheuten de beste start te geven die er is.

We zijn bij de potten. Hij laadt ze in een kruiwagen.
“Ze kunnen niet direct de grond in,” zeg ik “Het is kleigrond zonder humuslaag, helemaal platgereden. We gaan eerst zaaien. Lu…….. hoe heet het ook alweer.”
“Ja? ” vraagt hij, nieuwsgierig of ik dat weet.
“Luzerne!” Schiet het mij te binnen. “Die wortelen diep en maken de grond los.”
“En lupinen, die wortelen ook diep.” merkt hij op. “ Als je ze allebei zaait krijg je een mooie bloemenweelde.”
“Ik zal mijn best doen.” Ik zwijg en ik zie het voor me, de lila gloed van luzerne en lange gele lupinen ertussen. Dan vertel ik verder. “Er is niks dan gras en een paar grote bomen. Bomen groeien daar niet zo snel als hier. Je waait er bijna weg, als de wind van zee komt.” Hij knikt. “En dan die koude kleigrond..”
“Ja,” ga ik verder, “Er worden heuvels gemaakt zodat de yurts niet in de modder wegzakken, in de natte wintertijd. De yurts, dat zijn de tenten, daar wonen de vier vrouwen in. Ik woon als enige in een woonwagen.”

In gedachten loop ik de man achterna, terwijl hij met de kruiwagen vol potten naar mijn fietskar loopt. Ik zou het liefst alles vol bloeiende bomen en struiken willen planten. Ik wil helemaal opgaan in de natuur met mijn kleine huisje. Ik wil weides zien vol bloemen, de kerspruim zien bloeien vol bijen, vroeg in de lente als de wind nog koud is, Sering en Tamme Kastanje op het glooiende land zien groeien en Lindebloesem ruiken op een zwoele avond in juli. O, zal dat ooit kunnen in Friesland? In elk geval kan ik een begin maken. Wie na mij komt zal ervan kunnen genieten. Daarvoor doe ik het.

We praten over waar je welke bomen plant en hoe. We praten over humus en goeie en kwaaie schimmels. Hij vertelt me hoe ik die het beste kweken kan zonder dat de kwade de goeie opeten. We praten over gif en voedsel en de onwetendheid van mensen daarover. Hij houdt vol en blijft er over praten, zegt hij en op zijn gezicht ligt een rustige vastbesloten trek.
Ik kijk hem blij aan. “Je doet goed werk. Die theetuin en de kwekerij, zo mooi dat je de mensen hier wijzer maakt! Ik ga met een gerust hart weg, als ik weet dat er mensen zijn zoals jij.” Ondertussen loop ik naar mijn fiets en stap op.
Hij lacht. “Ik wens je een goede reis naar Friesland!”
Ik steek mijn hand op, bedank hem en rijd het pad af. Drie hoge stapels potten slingeren vervaarlijk heen en weer in mijn karretje. Die heb ik vast. Nu nog de piepkleine boompjes, die heel hard groeien zullen in deze mooie potten. Daar duim ik voor.

.

.

 

Advertenties

Voet aan de grond

.

.

 

Ik bouwde een huisje op wielen
en ga.
De Aarde zelf
weet wel waarheen.

Ik ga waar de bodem
mij asiel verleent
om klei te wroeten
compost te broeien
voet aan de grond
om te groeien.

Ik ben in klei geboren
en ben te gast op zand
om dit van de grond
in de hoogte te bouwen
ik investeer mijn ademhaling
in dagelijks vertrouwen

Waar ga ik heen
naar welke taak
ik wil geen toerist zijn
slechts voor vermaak.

En alléééé

dan is het er
of wellicht was het er al

Ik krijg voet aan de grond
een gunst aan mij verleend
Ik spreid het laken
voor ‘t laatste stille ontbijt
krachten worden nu vereend
en alles is op tijd
om een brede lach te maken
om lippen
van elke mond

Dat ieder zich verheugen kan
op die ochtendstond
nog verzonken in mist
en het ei dat zachtjes sist
in de koekepan

.

.

 

Straks is het heel gewoon

.

Lekker hangen aan een oersterk dak. Het zit tjokvol schapenwol, het is warm en nog geventileerd ook. Met zo’n dak blijf ik gezond en lenig als een aap, al word ik honderd. Hoe de wereld er ook uit ziet in 2065, ik ga er voor.

.

De telefoon gaat. “Hallo met Hanna, ik ben student journalistiek. We hebben elkaar ontmoet in Tilburg op het perron en u vertelde over uw manier van leven en dat u zelf uw huis bouwde. Nu moet ik iemand interviewen die controversieel is. Ik dacht meteen aan u.”
Ik zeg haar dat ze welkom is en we maken een afspraak.

Later denk ik na over het woord “controversieel” Waarom is mijn manier van leven controversieel? Wekt het tegenspraak op? Het is meestal het tegenovergestelde. Ik kom veel vaker mensen tegen die er ook van dromen, maar het niet doen, dan mensen die er wat op tegen hebben.
Ik denk veel na over alle goede invloed die mijn manier van leven heeft op de omgeving. Ik gebruik weinig energie, ik heb weinig nodig en kan daardoor veel aandacht besteden aan mijn omgeving. Daarom tuinier ik veel, ik composteer alles wat er binnenkomt. Ik maak de grond rijker, de wereld mooier en waar ik ben wemelt het al gauw van de bloemen, hommels, vlinders en vogels. Als het moet, kan ik makkelijk verhuizen naar een plek waar ik nodig ben.
In deze tijd van klimaatverandering, ernstige bedreiging van de diversiteit en grondstoffen die op beginnen te raken, zou deze manier van wonen omarmd moeten worden. We moeten drastisch anders gaan leven, willen we het redden.
Inmiddels is ook duidelijk dat Antartica veel en veel sneller afsmelt dan gedacht en dat de zeespiegel aan het einde van de eeuw niet slechts een enkele meter, maar een aantal meters gestegen is.
Ik ben er niet bang voor. Ik denk ook niet, dat maak ik toch niet meer mee. Ergens is het in mijn bewustzijn, dat dit al in mijn leven kan gebeuren. En dan is het goed om mobiel te zijn, en zelfvoorzienend. Dan is het handig om je te kunnen redden met de gereedschappen die je hebt en het goed te kunnen vinden met de mensen om je heen.
Regels worden steeds strakker. Het zou juist andersom moeten. Om ons aan te kunnen passen aan de snel veranderende wereld, zou er meer ruimte moeten komen om te experimenteren met andere woonvormen. Zoals ik het op mijn manier doe. Als je ruimte krijgt om te spelen, dan merk je wat je ècht kan. Zelfvertrouwen groeit en je weet dat je je ook in moeilijke situaties kan redden.

Spelen maakt dat
enge dingen
zich gaan ontpoppen
tot uitdagingen

Hoe meer mensen de sprong maken, hoe meer er zullen volgen. Een leven zoals het mijne? Straks is het heel gewoon. Dat hoop ik zò!

.

In dit spannende filmpje van 10 minuten kun je het hele verhaal volgen. Als je meer wilt weten over details van hoe ik het gedaan heb, bekijk de andere video’s of kom langs!

.

.

.

De ganzen achterna

.

.

Soms wacht je ergens op
als op een vertraagde trein.
En tussen de gelaten menigte
is er niemand die iets zegt
waarom hij laat is en
of hij nog komt.

Je kijkt om je heen
verloren in het moment.
Tussen uitdrukkingsloze gezichten
valt het vuurrode blad
van een esdoorn.
Waar wachten we eigenlijk op

Er vliegt een groep gakkende ganzen over
Verwachtingsvol kijk je omhoog
en ziet het ritme van klappende vleugels.

Weg zijn ze alweer.

De menigte blijft staan
als een lamgeslagen lichaam
met duizend dromende ogen
die in ‘t geheel geen ganzen zien.

Je kijkt naar je wandellaarzen
die stevig staan op kletsnatte klinkers
je voelt je vragende voeten.

Energie stroomt waar beweging is.
Kom,
je wacht niet langer,
je gaat lopen.

De ganzen achterna.

.

.

Ambassadeur van de leegte

.

.

Vanuit de stilte in de stroom van de wereld stappen. Hoe doe je dat? Ik kijk om me heen en maak af en toe uitstapjes, naar plekken die me interesseren. Om te kijken of het me  boeit, wat er gebeurt. Ik wil mee doen, een bijdrage te leveren aan geluk en bloei van aarde, mens en dier, met alles wat ik in me heb.
Maar zo makkelijk is dat nog niet. Vanuit stilte en eigenheid opnieuw de stroom opzoeken, het is alsof je met een gipsbeen, net uit het ziekenhuis, een roltrap moet opstappen om naar beneden te komen. Alles gaat veel te snel en iedereen heeft haast. Er zijn plekken waar iets moois gaande is. Mensen die elkaar hebben gevonden in een doel, plannen die zich uitkristalliseren en werkelijkheid worden. Als je er in wil stappen, moet je solliciteren naar een specifieke baan of taak.

Zo ontdekte ik de Metaal Kathedraal. Toen ik ervan hoorde werd ik meteen enthousiast. Het is een prachtig project bij Utrecht, in de Meern. Voor het een metaalfabriek was, was het een kerk. De kerk stond leeg en vergeten aan de oever van de Leidse Rijn. In vervallen staat gerakend, werd het gebouw in 2011 ontdekt door Maureen, theatervrouw. Ze vond het helemaal te gek en was niet de enige. Al snel werd het een bolwerk van kunstenaars en theatermakers. Het gebouw wordt nu gerestaureerd. Er worden festiviteiten georganiseerd en lezingen gehouden.
Wat me het meeste treft, is de samenwerking met bewoners uit de naastliggende wijk. Met elkaar werken ze aan een plan om een voedselbos aan te leggen, in een nieuw te bouwen woonwijk. Het wordt wel 15 hectare groot!
Terwijl ik met open mond naar filmpjes op internet kijk, bekruipt mij het gevoel hier nooit iets anders te kunnen zijn dan een toeschouwer. Wat een boel mensen houden zich hier mee bezig! Wat kan ik hier nog aan toevoegen als opmerkzame pionier en dromende doener?

Op een goed georganiseerde plek die bulkt van initiatieven moet je vaak bij voorbaat vertellen wat je wil. Dat is hier ook zo. Ik kan me aanmelden als terreinbeheerder, vrijwilliger met groene vingers, of geïnteresseerd kunstenaar. Ik moet een naam geven aan wat ik er wil doen en daarmee is mijn richting meteen bepaald, mede door hoe anderen dat opvatten. Hoewel ik subiet jeuk krijg als ik me in een hokje te laat zetten, ga ik tòch kijken. Ik zou mezelf kunnen voorstellen in een kader dat nog niet bestaat. Zouden ze dat begrijpen?

Ik zet mijn fiets weg en ga naar binnen. Het is een kille hal. De wanden zijn verweerd, maar het is nog zichtbaar dat het een kerkmuur is. Boven mij is een houten plafond met halverwege een zware ijzeren balk met een hijslier. Aan het einde van de grote hal is een open deur naar buiten. Aan een zonnig terrastafeltje in de verte, zitten twee mannen te kletsen. Verder zie ik niemand. Er is een deur. Er staat ”Kabinet“ boven. Door het glas zie ik een man achter een bureau. Ik klop zachtjes op de ruit. De man kijkt op met een vragende blik en knikt. Ik doe nieuwsgierig de deur open.

“Bent u Abel?” vraag ik.
Hij schudt van nee.
”Je had zeker een afspraak?“
”Ja,“ zeg ik en ik twijfel even.
Toch, als ik het zeg, komen de woorden als vanzelfsprekend uit mijn mond.

”Ik ben Alowieke, ambassadeur van de leegte.”

.

.

PS: Ik heb een nieuwe pagina aangemaakt met foto’s van de woonwagen, zoals hij uiteindelijk geworden is!

https://alowieke.wordpress.com/fotos-van-de-woonwagen/

 

Geraakt door de geest der nomaden

 

.

.

Thema’s komen terug, als zwaluwen in de zomer. Er zit een wetmatigheid in leven, ritmes en betekenissen, die overal en altijd terugkeert, in allerlei culturen. (Alowieke)

.

Het is 1979. Ik ben veertien en we maken een tocht door Amerika. We zijn met zijn vijven, mijn twee oudste broers zijn thuis gebleven. Onze gehuurde camper staat op een camping bij Lake Michigan tussen de bomen. Het terrein is omringd door hoge heuvels.

Ik sta voor de wagen. De anderen, vader, moeder, broer en zus, zijn aan het treuzelen. Treuzelen ja, want we zouden gaan wandelen. Ik kijk nieuwsgierig omhoog naar de heuvel, ik wil weten wat er achter is. Ik kijk nog eens om me heen, zie nog geen spoor van mijn familie. Ik besluit niet te wachten en lekker in mijn eentje op ontdekkingstocht te gaan.

Ik klauter de heuvel op. Het is lager dan een berg, maar hoger dan een duin. Tussen bomen en bosjes door vind ik mijn weg. Gestadig klim ik verder, tot ik boven ben. Daar sta ik eensklaps doodstil. Wat ik zie beneemt me de adem. Hier opent zich een gigantische zandhelling. Een vallei van zand is het, waar slechts hier en daar een tengere boom zich taai en kronkelend in leven weet te houden.
Ik sta roerloos stil. Aan het einde van de zandvallei is het meer. Tussen de totaal verlaten, ruige coulissen gaat hij onder. De grootsheid van het schouwspel overvalt me. Ik zie de macht van de natuur en voel me ineens volkomen verlaten en aan de elementen overgeleverd. Een diepe paniek overspoelt me. Zometeen is de zon onder en dan ben ik hier alleen! Rennen, rennen wat je rennen kan! Ik weet niet hoe snel ik bij de camping terug moet zijn. Maar die is verrassend dicht bij. Hijgend bereik ik de top en net over de heuvel zie ik de rook van de vele barbeques alweer terug, die als een waas boven het bos hangt. Onder die bomen, onder die rook, is de camping verborgen. Opgelucht haal ik adem.
Ik loop terug naar de camper. De anderen zijn weg. Ik ben alleen. Ik ga zitten en zie het beeld nog steeds voor me. Het staat in mijn hart gegrift.

Mijn familie had veel langer gewandeld dan ik. Maar zij zijn het nu al lang weer vergeten. Op mij maakte deze plek een onuitwisbare indruk. Ik stond daar, als door de bliksum getroffen. Op dat moment bedacht ik me, dat ik best altijd zo wilde leven, als een halve nomade. Misschien was het de geest van het oude indianenvolk, dat mij raakte.
Het gebied waar ik was, werd vroeger bevolkt door de Ojibwe-Anishinaabeg, een volk van semi-nomaden. Ze leefden met het ritme van de natuur. Ze visten en jaagden en maakten ahornsiroop, die ze bewaarden in berkenbast. Onder hen waren planteverzamelaars met een ongelooflijk uitgebreide kennis. Sommigen verbouwden mais, pompoenen en bonen. Voor hen was al het leven met elkaar verbonden. Het kleinste insect of het diepst verborgen mineraal maakt er in hun ogen deel van uit, de schepping was één wonderlijk geheel, waar wij mensen een bescheiden rol in spelen.
Onder hen was een medicijnman of vrouw, die de heilige rituelen uitvoerde. De plek waar ze dit deden, had een bepaalde indeling. Er was aan beide kanten een opening, iets wat ook terugkomt in de Ierse cultuur. De Ieren deden dit om de stoeten van “fairies” doorgang te verlenen, die ’s nachts op pad waren. Anders werden ze boos en dat bracht niet veel goeds. Waarom dit Indianenvolk hetzelfde deed, dat weet ik niet. In elk geval maakten ze ook een opening in het dak, zodat de geest er vrij doorheen kon. In de ruimte stonden vier palen, die het groeien symboliseerde van al het aardse leven.

Thema’s komen terug, als zwaluwen in de zomer. Die indeling die ik net noemde, lijkt verrassend veel op die van mijn woonwagen. Ook mijn huisje heeft aan beide kanten  een ingang. Ook heb ik een opening in het dak, dat ik het daklicht noem. Dit licht heeft iets verstillends en het geeft me gevoel van ruimte. Aan het einde van het daklicht is het glas-in-loodraam, met een afbeelding die voor mij het aardse groeien symboliseert, onder de blauwe hemel van de kosmos. Ik ben maandenlang alleen geweest om me compleet te concentreren op het ontwerp. Het is iets geworden wat helemaal van mij is, maar tegelijkertijd heel universeel.

Zijn de gelijkenissen met de Ierse en de Indiaanse manier van bouwen toevallig? Ik denk het niet. Er zit een wetmatigheid in leven, ritmes en betekenissen, die overal en altijd terugkeren, in allerlei culturen. Ook in onze dolgedraaide mallemolen van de moderne wereld zijn oude tekens te vinden. Het is er nog steeds. En als we samen stil zijn onder dezelfde maan, dan kunnen we nog heel veel horen, als een lied dat steeds weer klinkt en dat toch telkens anders is.

 

 

Misschien is het dàt wel wijs
te gaan op het pad van eigenheid,
te werken aan een regenboog
die straalt en stroomt
in tijdloze verscheidenheid
en die toch tegelijkertijd,
ons elkaar weer doet herkennen
als wonderkinderen
van de schepping

Misschien is dat de volgende stap
het lef om te leven
in het groene paradijs

.

.

DE BOUW

Ik zag enigszins op tegen de laatste grote klus. Maar het ging verbazend vlot en voorspoedig. En ik vond ook nog tijd om het hele gebeuren te filmen en de film te bewerken tot een aangenaam geheel. Mèt een lied aan het eind!

.

.

.

.

Hoe kan het toch

.

Stille-oude wei en wij

Midden in de grootste chaos zijn wij JUIST in staat, het paradijs te scheppen, op de plek waar we werkelijk zijn.   (Alowieke)

.

Ik ben er
Ik ben waar ik moet zijn
en jij
jij bent er ook

Weet je nog
die dag,
zo lang geleden

Samen zongen wij een lied
tussen oude stenen in een wei
wie weet was het wel deze
de stenen zijn verdwenen
weggesleept door een man
die uit zijn tractor kwam
terwijl een zware ploeg
ploeterde in de verte
in stofwolken van
zijn spoor

We zongen onder de eikenboom
midden in het land
en schepten koeienstront opzij
met onze blote handen
misschien was het wel hier
waar wij gingen zitten
in het stille gras van
grondige tijdloosheid
de wei die altijd ruikt voor mij
naar
vochtige aarde en mest

En hoewel alles er al was,
en in wezen nooit verdwenen is,
verrast het ons dat wij dan toch
na al dat geploeter
en eindeloze omwegen
dan toch
ten midden van de chaos
hier mogen staan
alsof er
niks veranderd is

En hoe kan het toch
dat ons lied weer licht is
spint van tevredenheid
sprankelend jong
en het gras dat groeit
voor onze vermoeide gezichten
bij elke ademtocht voller wordt
en dat de kievietsbloem bloeit

bloeit
als nooit tevoren

.

Onder de tekening, boven het gedicht, heb ik mijn gedachten kort en krachtig samengevat. Wie kan me aanvullen? Korte overpeinzingen lees ik graag. Citaten van anderen zie ik het liefst met bronvermelding.

 

Boeken vervagen waar tijd zich vult met zijn

.

Tijdkolk van vervaagde boekn kl frTijdkolk van vervaagde boeken . . .  of is het een fontein?

 

.

Een fikse regenbui klettert tegen de ramen van de bus. Als kleine riviertjes druipen de straaltjes regenwater naar beneden. Naast me zit een man. Hij is middenin een verhaal. Ik draai mijn hoofd weer om, kijk hem aan en luister. Hij vertelt over een bijzondere ontmoeting, die hij gisteren had.
„En toen zat ik zomaar ineens twee uur lang met die Viëtnamees te praten, daar op dat bankje in het park,“ zegt hij. „Maar dàt was een ontwikkeld man! Hij vond Rotterdam een mooie stad omdat Erasmus daar vandaan kwam en hij wist dat die gezegd had, dat alle mensen wereldburgers zijn.“
„Ja, dat is mooi, dat hij dat weet van ons land,“ zeg ik. Ik ben stil en weet niet meer wat te zeggen. Ik kijk weer naar de regen, waarachter het groen van de lente al heel uitbundig is geworden. De zon breekt door, o prachtig. Nu het nat is lijkt het ontluikende lentegroen nog frisser, met dit licht is het adembenemend. Even vergeet ik alles.
Maar de woorden van de man echoën na en leggen een waas over het uitzicht. Mijn ogen staren naar het raam. Ik luister naar mijn gedachten. Een ontwikkeld man, wat is dat eigenlijk. Ik weet niks van Erasmus uit Rotterdam. Ben ik dan minder ontwikkeld? Moet je veel boeken lezen om ontwikkeld te zijn? Ik lees nauwelijks meer. Vroeger nog wel, nu niet meer. De tijd vult zich volledig met “zijn“. Er is zoveel te zien, te ruiken, over na te denken en te filosoferen. En er is zoveel te planten en te bouwen. Echt een boek lezen, ik kom er niet toe. Al een hele tijd niet meer. Ik kijk, ik ben, ik leef.
Ondanks alle heerlijke vruchtbare dagen, rijst een oud vraagteken uit het vergeten stof. Zou ik dan toch de mindere zijn van zo’n ontwikkeld man? Het is een oud gevoel, dat veel vrouwen in de loop der eeuwen moeten hebben gevoeld. De mannen waren het, die alles wisten, die lazen, studeerden en de wereld veroverden. De vrouwen leefden, keken en zorgden. Sommigen studeerden in stille hoekjes op schaarse momenten, om gelijk daarna hun handen weer uit de mouwen te steken. Maar de kennis van vrouwen was veel levender dan die van dorre veelweters. Wijze vrouwen waren gevaarlijk. En als ze ook nog mooi waren, waren ze dubbel gevaarlijk. Een tijdlang werden ze als heks verbrand. Nu niet meer. Maar de kenniscultuur is nog altijd dominant. Nog altijd, en op grote schaal.
Ook inheemse volkeren, die nog dicht bij de natuur leven, noemt men nog steeds minderwaardig, minder ontwikkeld ten opzichte van de cultuur van het denken en de koude efficiënte wereld, die de Westerse man heeft gecreëerd. De bemoeienis is groot. En nog steeds vallen er doden door een breed scala aan gevolgen. Dat is pijnlijk en onverdraaglijk. Gelukkig is er iets aan het veranderen.

Als ik thuiskom zijn mijn schoenen nat. Ik doe ze uit en steek een kaars aan. Nog lang denk ik na over het woord “ontwikkeld“. Nee, ik ben niet minder omdat ik geen grote boekenkast heb. Ik heb er niet eens plek voor. Ik volg mijn hart, kijk wat er nodig is en doe het of laat het.
En ik ben niet alleen.
Natuurmensen, mensenmensen, kunstenaars of muzikanten, alle gekken en verliefden, samen zijn we als parels in een grijze zee, als bloemen in het veld, als witte wolken aan de hemel. Straal toch, lieve allemaal. Waar je bent, overal. Omdat we wereldbroeders zijn en zusters. Zoals een wijze man al zei, in een ver verleden.

Laat het zijn, het antwoord is er

.

Rustig door tuinieren kl frm.

.

Ik sta in de open deur van mijn pipowagen. De zon schijnt en de lucht is blauw. Vóór mij, op het bordes, staan tientallen plantjes. Die heeft de postbode vanmorgen gebracht, in een hele grote doos. Straks, als de zon weer warmer wordt, dan zullen ze groeien en bloeien. Er zijn veel dingen om blij van te worden vandaag. En toch ben ik droevig. Hoe komt dat nou, vraag ik me af. Ik weet niet.

Ik sta er niet lang bij stil en spring van het trapje af. Er is werk te doen. Ik pak acht plantjes beet, acht lange sliertige takken, oersterk, taai en buigzaam. In totaal heb ik er honderd, die de grond in moeten, allemaal in zwarte plastic potjes. Het zijn dwergmispels, een kleine soort cotoneaster. Parken staan er vol mee. Er rennen kinderen in rond om hun voetbal terug te pakken en meer van dat soort ongein. Maakt niet uit. Ze overleven alles.
Ik pak de lange dunne takken beet. De potjes bungelen er onder. Zo loop ik naar de plek waar ze de grond in moeten. Er staan al een paar bessenstruiken, allerlei bloembollen, munt en tijm, rond een jonge kweepeer. Ik laat de potjes op het gras zakken en kijk naar de naakte zwarte aarde in het perk. Die wil ik zoveel mogelijk bedekken.
Vóór ik hier vandaan ga, wil ik er zeker van zijn dat dit kleine bolwerk van diversiteit sterk genoeg is. De dwergmispels zullen daar zeker bij helpen en de andere planten beschermen. Er zijn konijnen, kippen een rondscheurende grasmaaier en een trekker. Ik wil dat alles wat ik in de grond zet het overleeft. En ook de andere perken die ik aanleg, onder de kersenbomen. Straks wil ik kunnen zeggen: „Het is goed zo, ik ga. Groei maar lekker door tuintjes! Mijn zegen heb je.“
Tuinieren is fijn. Ik wil de wereld mooier maken. Ik kijk, volg de vlucht van vogels rond mijn huisje en zie waar ze hun voedsel zoeken. Ik zie de eerste hommel zoekend rond zoemen. Hoe meer er groeit, hoe meer er bloeit. Mijn handen zijn zwart van aarde. Het maakt niet uit dat de grond niet van mij is. De aarde is van niemand. Die is van zichzelf. Ja, ik kan donateur worden om de wereld te redden met een handvol goede doelen. Maar veel liever stop ik mijn bijdrage hier in de grond. Dan kan ik zien hoe het groeit, en naar de beestjes kijken. Veel leuker.

Aan het eind van de dag doe ik de radio aan. Lex Bohlmeijer op radio 4. Hij vertelt met aangeslagen stem wat er is gebeurd is in Brussel. Een explosie van geweld. Ach.. was dàt het, vanmorgen? Kan dat, verdriet voelen wat massaal gevoeld wordt, waar ik nog niks van weet? Het is erg. Maar wat kan ik anders dan doorgaan. Planten en zaaien, kleine paradijsjes maken voor bijen en vogels. En bloemen om ogen te strelen. Laat het zijn, het antwoord is er. Hier.

.

Nergens is het paradijs als
nog ergens oorlog is
Maar ik blijf rustig
en ik meen
niemand
is werkelijk
alleen

.
Nootje na: De volgende dag zat ik te staren op de bank, half aanwezig, mijn lichaam traag als stroop, als was ik in de rouw. Ik heb een gevechtsdans gedaan, buiten. Dat luchtte op zeg! Echt een aanrader. Doe maar wat. Alles is goed.

Omdat ik besta

.

Aarde, maan en het bestaan

.

Precies op mijn verjaardag komen ze binnen. Vijf hoogstambomen en acht struiken bessenhulst. Ik ga ze planten. Want ik besta. Ik neem en ik geef. Een cadeautje voor de aarde is het, op mijn geboortedag. Eigenlijk kan ik het best elk jaar doen. Nu ben ik hier, dan weer daar. Het kan overal.

Een paar dagen later staan de bomen parmantig rechtop, verspreid over het terrein. De struiken gaan vandaag de grond in. We moeten er ruimte voor maken, kappen, hakken en graven. We maken ons klaar voor een flinke klus.
„Hé Dick, de stroom ligt er uit.“ Ik sta bij de werkbank, die ik achter mijn wagen heb gebouwd, samen met een flinke berging, waarin veel van mijn gereedschap ligt. Ik heb net een spade geslepen. De schep ligt nu in het nog half bevroren gras. Trots kijk ik naar de glimmende rand. Haarscherp fonkelt hij in de zon, scherp genoeg om dikke stronken uit de stijve zwarte grond te hakken. Een rij donkergroene struiken staan glimmend te wachten. Die moeten er straks in.
De elektrische kettingzaag hangt in mijn hand. Maar hij doet niks meer. Ik kijk naar Dick, die aan komt lopen. „Misschien was hij vastgeroest en liep hij warm,“ opper ik „ik heb WD40 bij de ketting gespoten, nou loopt hij soepeler.”
„Doet de slijpmachine het ook niet?”
„Nee,” antwoord ik. „De prik is er af.”
„Waar is de stroomkast?” vraagt Dick. Ik wijs.
Samen lopen we naar het kleine grijze kastje, aan het einde van de rij coniferen. Het deurtje staat half open, maar we worden geen wijs uit de rij gele, blauwe en groene knopjes en schuifjes. „Ach, ik bel Ton wel en dan neem nu de snoeizaag,” zeg ik onverschillig.
Even later sta ik bij een dikke conifeer. Ik kap wat kleine takjes weg en zet de vlijmscherpe zaag in de stam. Mijn arm maakt een lange beweging heen en weer. Bij het trekken zet ik kracht. Ik geniet van het ritme. Binnen de kortste tijd ligt de boom om. „Die stroom heb je helemaal niet nodig!“ grijnst mijn vriend.

We werken hard. We hakken de stronken weg met scherp geslepen spades. Grote kuilen van zwarte grond blijven over. Nu de compostaarde. Bij het veldje van de dieren ligt een grote berg, die dagelijks groeit. We halen er heel wat volle kruiwagens weg. Ik zet één van de struiken in een gat. Rond en onder de wortels stop ik fijn materiaal uit de kruiwagen, kleine takjes, losse grond en verrotte blaadjes. Fijn voor de struik, dan kan hij haarwortels maken. Er bovenop maak ik een dikke laag van rot blad. Er zit paarde- en ezelmest doorheen.

Het gaat veel sneller dan gedacht. We zijn bijna klaar als Ton de stroom komt aanzetten. De rij coniferen is nu onderbroken door hulst. Ze zijn net boven de knie, maar zullen groeien. Vogels vliegen nieuwsgierig door de ontstane gaten en pikken in de smeuïge bedjes compost. Op het veld ligt een berg gesneuvelde coniferen. „Sorry coniferen,“ mompel ik verontschuldigend. Tenslotte heeft alles recht om te bestaan. Ook coniferen. Maar deze mochten niet. Zoals veel zaken in het leven moesten ze wijken voor de menselijke wil.

Ik wil zorgvuldig zijn. Ik luister en kijk. Hier en daar grijp ik in, haal iets weg of voeg iets toe. Geduldig wacht ik op het juiste moment. Het gaat niet om mij, gelukkig niet. Het gaat om iets anders, groter dan ik kan overzien. Ik help een handje bij het groeien. Heerlijk vind ik dat. Wat het ook mag worden.

.

INFORMATIE, over de bomen en hoe ze het deden.

Ik was op minicamping de Ontginner in Haghorst, zandgrond in Brabant, met zeer wisselende waterstanden. ‘s Winters nat, zomers droog. Hier heb ik twee soorten kersenbomen geplant. De eerste is “Prunus Bigarrea Napoleon”

Een kleine gele kers, zelfbestuivend, weinig gevoelig voor ziektes. Twee van de drie gingen dood. De eerste stond midden in  keiharde platgereden grond, waar elke winter een enorme plas staat. Ik heb een grote kuil gegraven, humusrijke grond toegevoegd, de grond rond de boom iets opgehoogd, maar dat heeft allemaal geen zin gehad. Hij ging dood. Ik heb mijn broer gevraagd hoe het bij hem ging, hij is boer in Denemarken en heeft 2000 kersen geplant. Ook bij hem zijn alle bomen die te nat stonden dood gegaan. Op zo’n natte plek wil een prunus het kennelijk niet doen en de volgende keer zal ik op zo’n locatie geen kers planten, zelfs niet als iemand er om vraagt. Tenzij iemand komt met een uitzonderlijk soort, die er tegen kan.
De tweede stond pal naast een muurtje, waar veel mieren hun nesten hadden onder de stenen. Omdat er naast het muurtje gereden moest kunnen worden met de trekker en om woonwagens te slepen, werd hij er strak naast geplant en kreeg weinig ruimte. De boom deed het eerst heel erg goed, maar ging plotseling dood. Mierennesten hebben de wortels blootgelegd met tal van gangen. Ik heb dat vaker gezien. Dus geen boom planten pal naast een muurtje met mieren eronder.
De derde staat midden op het veld, op een plek die minder nat is, maar nog steeds met een behoorlijke compactie van de bodem. Hij leeft nog, maar groeit na anderhalf jaar nog steeds niet verder.

De tweede kers heet “Prunus a Kordia”.

Pluktijd half juli. Een grote hartvormige vrucht, diep donkerrood met een goede smaak. Lange vruchtsteel. Zelfbestuivend.
De twee bomen groeien ontzettend goed. Ze hebben allebei een betere plek gekregen dan de andere drie, daarom is moeilijk uit te maken of het veel sterkere groeiers zijn, of dat het komt door omstandigheden. De één staat mooi hoog, op losse bossige grond, naast een tegelplaatsje, met een diverse ondergroei. De tweede staat bij de ingang. In de winter kan ook daar veel water staan, maar toch heeft deze kers daar totaal geen last van gehad. Misschien stond hij net in een beter stukje, of kan deze boom toevallig wèl tegen wat nattere grond.
Wie hier ervaring mee heeft, vertel het!