Geraakt door de geest der nomaden

 

.

.

Thema’s komen terug, als zwaluwen in de zomer. Er zit een wetmatigheid in leven, ritmes en betekenissen, die overal en altijd terugkeert, in allerlei culturen. (Alowieke)

.

Het is 1979. Ik ben veertien en we maken een tocht door Amerika. We zijn met zijn vijven, mijn twee oudste broers zijn thuis gebleven. Onze gehuurde camper staat op een camping bij Lake Michigan tussen de bomen. Het terrein is omringd door hoge heuvels.

Ik sta voor de wagen. De anderen, vader, moeder, broer en zus, zijn aan het treuzelen. Treuzelen ja, want we zouden gaan wandelen. Ik kijk nieuwsgierig omhoog naar de heuvel, ik wil weten wat er achter is. Ik kijk nog eens om me heen, zie nog geen spoor van mijn familie. Ik besluit niet te wachten en lekker in mijn eentje op ontdekkingstocht te gaan.

Ik klauter de heuvel op. Het is lager dan een berg, maar hoger dan een duin. Tussen bomen en bosjes door vind ik mijn weg. Gestadig klim ik verder, tot ik boven ben. Daar sta ik eensklaps doodstil. Wat ik zie beneemt me de adem. Hier opent zich een gigantische zandhelling. Een vallei van zand is het, waar slechts hier en daar een tengere boom zich taai en kronkelend in leven weet te houden.
Ik sta roerloos stil. Aan het einde van de zandvallei is het meer. Tussen de totaal verlaten, ruige coulissen gaat hij onder. De grootsheid van het schouwspel overvalt me. Ik zie de macht van de natuur en voel me ineens volkomen verlaten en aan de elementen overgeleverd. Een diepe paniek overspoelt me. Zometeen is de zon onder en dan ben ik hier alleen! Rennen, rennen wat je rennen kan! Ik weet niet hoe snel ik bij de camping terug moet zijn. Maar die is verrassend dicht bij. Hijgend bereik ik de top en net over de heuvel zie ik de rook van de vele barbeques alweer terug, die als een waas boven het bos hangt. Onder die bomen, onder die rook, is de camping verborgen. Opgelucht haal ik adem.
Ik loop terug naar de camper. De anderen zijn weg. Ik ben alleen. Ik ga zitten en zie het beeld nog steeds voor me. Het staat in mijn hart gegrift.

Mijn familie had veel langer gewandeld dan ik. Maar zij zijn het nu al lang weer vergeten. Op mij maakte deze plek een onuitwisbare indruk. Ik stond daar, als door de bliksum getroffen. Op dat moment bedacht ik me, dat ik best altijd zo wilde leven, als een halve nomade. Misschien was het de geest van het oude indianenvolk, dat mij raakte.
Het gebied waar ik was, werd vroeger bevolkt door de Ojibwe-Anishinaabeg, een volk van semi-nomaden. Ze leefden met het ritme van de natuur. Ze visten en jaagden en maakten ahornsiroop, die ze bewaarden in berkenbast. Onder hen waren planteverzamelaars met een ongelooflijk uitgebreide kennis. Sommigen verbouwden mais, pompoenen en bonen. Voor hen was al het leven met elkaar verbonden. Het kleinste insect of het diepst verborgen mineraal maakt er in hun ogen deel van uit, de schepping was één wonderlijk geheel, waar wij mensen een bescheiden rol in spelen.
Onder hen was een medicijnman of vrouw, die de heilige rituelen uitvoerde. De plek waar ze dit deden, had een bepaalde indeling. Er was aan beide kanten een opening, iets wat ook terugkomt in de Ierse cultuur. De Ieren deden dit om de stoeten van “fairies” doorgang te verlenen, die ’s nachts op pad waren. Anders werden ze boos en dat bracht niet veel goeds. Waarom dit Indianenvolk hetzelfde deed, dat weet ik niet. In elk geval maakten ze ook een opening in het dak, zodat de geest er vrij doorheen kon. In de ruimte stonden vier palen, die het groeien symboliseerde van al het aardse leven.

Thema’s komen terug, als zwaluwen in de zomer. Die indeling die ik net noemde, lijkt verrassend veel op die van mijn woonwagen. Ook mijn huisje heeft aan beide kanten  een ingang. Ook heb ik een opening in het dak, dat ik het daklicht noem. Dit licht heeft iets verstillends en het geeft me gevoel van ruimte. Aan het einde van het daklicht is het glas-in-loodraam, met een afbeelding die voor mij het aardse groeien symboliseert, onder de blauwe hemel van de kosmos. Ik ben maandenlang alleen geweest om me compleet te concentreren op het ontwerp. Het is iets geworden wat helemaal van mij is, maar tegelijkertijd heel universeel.

Zijn de gelijkenissen met de Ierse en de Indiaanse manier van bouwen toevallig? Ik denk het niet. Er zit een wetmatigheid in leven, ritmes en betekenissen, die overal en altijd terugkeren, in allerlei culturen. Ook in onze dolgedraaide mallemolen van de moderne wereld zijn oude tekens te vinden. Het is er nog steeds. En als we samen stil zijn onder dezelfde maan, dan kunnen we nog heel veel horen, als een lied dat steeds weer klinkt en dat toch telkens anders is.

 

 

Misschien is het dàt wel wijs
te gaan op het pad van eigenheid,
te werken aan een regenboog
die straalt en stroomt
in tijdloze verscheidenheid
en die toch tegelijkertijd,
ons elkaar weer doet herkennen
als wonderkinderen
van de schepping

Misschien is dat de volgende stap
het lef om te leven
in het groene paradijs

.

.

DE BOUW

Ik zag enigszins op tegen de laatste grote klus. Maar het ging verbazend vlot en voorspoedig. En ik vond ook nog tijd om het hele gebeuren te filmen en de film te bewerken tot een aangenaam geheel. Mèt een lied aan het eind!

.

.

.

.

De reis

 

.

De reis

.

 

Het is alleen maar een foto. Een hotelkamer met uitzicht op een baai en een zee van groen. „”Dit is het paradijs!“ schrijft een vriend van mij. Er zwelt een wild verlangen in mij op om ook op pad te gaan. Weg in de trein of me laten inschepen en weelderige vreemde verten ontdekken. Al sinds ik het ouderlijk huis verliet, ben ik zelden Nederland uit geweest. Ik adem diep in en uit. Ik weet, ik blijf wèèr. Het komt nog wel, die reis. Ooit komt het, als ik zover ben.

Soms heb ik het er even moeilijk mee. Ik zou in èèn dag op de prachtigste plekken kunnen zijn. Ik zou ervan kunnen proeven, als van een heerlijke exotische vrucht. Maar blijf ik hier. Rustig zet ik mijn ene voet voor de andere. Het pad is van mij, het is mìjn pad.

Ik zie flitsen van verleidingen. Ik zie een schitterende deur met het aanlokkelijke tafereel van een breed strand en grote zeemeeuwen in blauwe lucht. Ik zou het kunnen doen, o… zal ik? Nee, ik doe het niet. Ik ga er niet doorheen, niet nu. Ik knijp mijn ogen dicht en negeer de mooie deur. Dan voel ik een windvlaag om mijn gezicht en doe mijn ogen weer open. Een houtduif fladdert tussen de takken, kleine kikkers schieten voor me weg en egeltjes snuffelen in de schemering op het natte gras. Ik kijk naar de grond onder mijn voeten, zorg dat ik niet op een grappig spinnetje ga staan.
De weg die ik ga is niet vanzelfsprekend. Welke poort is voor mij bestemd? Deze is het niet in elk geval. Ach, waarom zou ik me haasten. Ik ben waar ik ben. Als ik een nieuwe keus moet maken, dan zal ik het weten.

Ik werk aan de wagen, dag in dag uit. Al is het maar een paar uurtjes, als ik moe ben. Af en toe komt iemand kijken. „Wat wordt het mooi!! En ga je daar straks mee de wereld in?“ vragen ze enthousiast. Ik lach. „Nou, nog niet meteen hoor. Ik heb geen rijbewijs, ben geen held op de weg en met paarden heb ik ook totaal geen ervaring. Het zal nog wel even duren…“ En ik staar in de verte.

Wil ik dat wel, alles zelf doen? Ik doe al zoveel alleen… Ik kan me straks ook van project naar project laten rijden, elke keer door een ander. Dat kan heel gezellig zijn. En dan hoef ik niet trekker te leren rijden, dan heb ik voorlopig geen paarden nodig. Waar ik ben, kan ik verslag doen van wat ik zie en hoor. Ik kan er verhalen over schrijven en tekeningen maken. Ik kan helpen met bouwen, tuinieren, helpen keuzes maken. En eigenlijk… ik zou zo graag samen musiceren, teksten op muziek zetten en meerstemmig zang.

Ach, voorlopig zijn het dromen. Ik zie wel wat er komt en wanneer. Nu ben ik hier. En ik bouw mijn kleine lieve huis, op wielen.

Vlinder op reis

 

.

 

Vlindertrek

.

.

Met de klopper en een stuk hardhout sla ik een blokje op zijn plek. Het zit in de hoek, tussen de deurpost en de lange onderwand. Die bestaat uit twee planken die over de hele lengte van de wagen lopen. Het wiebelde daar nog ietsepietsje en dat wilde ik niet. Daarom heb ik een blokje gemaakt, dat ertussen past. Ik sla nog eens, keihard. Het blokje is zo mooi op maat gemaakt, dat ik het er met kracht in moet slaan. Het geluid draagt ver in het stille land.
Ik werk hard. Nu de woonwagen vorm heeft gekregen, een mooie lichte constructie, zoek ik naar zwakke plekken. Daar komen stevige blokken. Soms is het een hardhouten balkje, als dat zo uit komt. Ik versterk waar het nodig is. Het blokje, dat nu zo netjes op zijn plek zit, ziet eruit als een puzzelstuk. Het past precies. Dat moet ook. De basis moet goed zijn. Als de basis okee is, dan blijft de rest ook op zijn plek. Dàt is constructief bezig zijn!
De lijm kruipt uit de naden. Tevreden kijk ik naar het resultaat. Dit zit in elk geval zo vast als een huis. Gelukkig maar, want het wòrdt ook mijn huis! Er komt een dag dat ik ga rijden. En een huisje op een hobbelweg heeft heel wat te verduren, reken maar.

Op het moment dat ik de houten klopper neerleg komt buurvrouw Nicole aanlopen. Ze kijkt vrolijk en opgetogen. „Weet je wat we gezien hebben? Een Koninginnepage! Hij was wel zò groot!“ Met haar handen geeft ze de maat aan. Hij moet zo groot als een winterkoninkje zijn geweest.
„Waar zag je hem?“ vraag ik met grote ogen. Nog steeds ben ik verwonderd bij elke nieuwe ontdekking.Toen ik hier kwam, vier jaar geleden, zag ik steeds vier wollige bruine hommeltjes. Die zaten op de witte en paarse dovenetel. Hier en daar stond een bloemetje. Dat was het dan. Toen er bomen in bloei stonden, eerst het fruit, een hele poos later de tamme kastanje en de linde, op dat moment waren er even hèèl veel honingbijen, maar die verdwenen gelijk weer zodra de bloei voorbij was.
Ik heb hard gewerkt in die jaren, voor meer diversiteit. Op allerlei plekken bloeien nu bloemen. Er zijn niet alleen steeds meer vogels, maar ook steeds meer hommels en vlinders. En nou een Koninginnepage!
„Hij zat daar, bij de majoraan.“ Nicole wijst naar de kruidige tuin, die vol staat met tijm, de volle donkerroze majoraan, blauwpaarse dropplant, witbloeiende appelmunt, bergsteentijm, gele klaverzuring en nog veel meer. Een paradijsje is het, nu alles geurt en bloeit. Ik kan me voorstellen dat de vlinder er een bezoekje aan bracht.
Nicole gaat weer weg. Ik kijk de hele dag uit naar de Koninginnepage, maar hij laat zich niet meer zien. Met welke bestemming is hij verder getrokken? Ze zeggen wel dat vlinders fladderige types zijn zonder doel. Maar daar geloof ik niks van. Ook vlinders weten precies wat ze zoeken. Zeker weten.

.

De Koninginnepage is vooral een trekvlinder. Ze laten zich met gunstige wind meevoeren naar plekken waar het weer beter is en waar meer voedsel is. Ook met tegenwind zijn er voorttrekkende vlinders gezien. Ze kunnen wel twee kilometer hoog vliegen als ze eenmaal onderweg zijn, maar meestal vliegen ze laag. Soms bevalt een stek zo goed dat ze niet verder gaan, op de plek blijven en zich daar voortplanten.
De rups van de Koninginnepage leeft van schermbloemigen. Wilde peen, wortel, karwij, melkeppe, en vooral knolvenkel. Een volwassen exemplaar kan wel zeven-en-een-halve centimeter breed worden. De vlinder heeft een sterke voorkeur voor roze bloemen. Daarom zat hij natuurlijk bij de majoraan en de dropplant!

.

.Als ik er een dans voor maak, dan komt hij misschien terug!

.

.

.

Bouwen

Dit is het hoekje waar ik hier mee bezig ben…

De linker deurpost.

.bouwen puzzelstuk .

.

Het puzzelstukje in de hoek bij de deurpost.

De rechter.

Puzzel op zijn plaats. kl frm.

.

.

Twee manieren om te reizen

.

Twee manieren om te reizen

.

 

De man naast mij staat met een schepje in de hand. Hij groet me vriendelijk. „Hoe is het met je nieuwe wagen,” vraagt hij. Ik kom overeind en stop een handvol dorre blaadjes in de emmer die naast me staat. Verderop in de tuin zijn anderen aan het snoeien. Het is de tuin van de Kloosterhof van Gestel in Eindhoven. Mijn vriend Dick woont daar. Hij werkt al jaren voor Omslag, werkplaats voor duurzame ontwikkeling. De tuin is voor iedereen die in het klooster zijn werk heeft gevestigd. De mensen van Omslag zorgen er voor. Vandaag is het tuindag en iedereen mag helpen.
„Met mijn nieuwe wagen is het goed.“ antwoord ik. „De bouw staat in de winter stil. Dan schrijf en teken ik, of studeer. In de lente begin ik weer met buitendingen.“
„En ga je op reis als hij af is?“
„Nee hoor. Ik heb totaal geen ervaring met trekdieren. Er zijn er genoeg die dat doen, er een paard voor zetten en gaan. Leren doe je onderweg wel, denken ze. Nou, mij niet gezien. Ik leer liever stap voor stap. Als ik dieren aanschaf zou ik eerst een goed weiland willen huren, op een plek waar ik ook kan werken voor de kost. Maar voorlopig kies ik er nog niet voor. Het is een grote zorg. Ik moet er volledig van overtuigd zijn dat ik het wil, anders doe ik het niet.”
„O.. Dat klinkt heel anders dan ik dacht..“

Een paar dagen later. Het is een zonnige dag, binnen is het warm, buiten waait een koude wind. Ik sta te schrijven aan mijn werktafel. Ik denk aan de man in de tuin.
Waarom ben ik een wagen gaan bouwen, waarom ook al weer? Ik aai met mijn hand langs een dikke plank. Het is lichtgeel hout en gezaagd in vorm van een puntig boomblad. Het zijn er twee. Ze staan naast mijn schrijftafel. De gladgeschuurde ronding voelt heerlijk zacht. Kunstige daksteunen worden het. Ze zullen straks deel uit maken van het voorportaaltje.

Ooit begon ik te bouwen met een reden. Langzaam is die verdwenen, het oude doel is niet meer dan een vage schim op de achtergrond. Ik werk. Dag in dag uit. Ik geniet. Een heerlijk huisje op wielen maak ik. En in de winter schrijf ik en maak kleurige prenten bij de warme houtkachel.
Gà ik wel op reis, vraag ik me wel eens af. Eerlijk gezegd weet ik het niet. Misschien wordt het wel een reis in de geest. Er zijn genoeg schrijvers, kunstenaars en musici die wilden reizen, maar zich uiteindelijk hebben gevonden in het grote avontuur van hun talenten. In hun kunst vonden ze een veel grotere schat aan landschappen dan de fysieke wereld hen ooit kon laten zien.

Waarom wilde ik reizen? Ik wilde mobiel zijn. Ik wilde overal kunnen werken en mijn huis bij me hebben zoals een slak. Mijn handen kunnen al spelend eetbare tuinen maken met bloemen, kruiden, struiken en bomen. Ik kan werken met aarde, hout en stenen, kijken wat zich voordoet en vandaar uit creatief zijn. Samen met anderen.

Maar werken doe je op één plek tegelijk. Daarvoor hoef ik niet persé te reizen.

Ik weet wat het wél was. Niet om te laten zien hoe stoer ik ben met een zelfgebouwde wagen en twee muildieren. Nee, ik wilde tekeningen maken en nieuwsgierig zijn. Verhalen verzamelen van mensen en de natuur die hen omringt. Mensen, dieren, bomen, planten, heuvels, bossen, zon en regen, alles voor het landschapsboek, vol tekeningen, gedichten en verhaaltjes. Maar kom ik daar wel aan toe dan? Ik zie hoe druk buurman Jan het heeft met zijn paard en ezel en dan is hij niet eens onderweg. Ik denk dat het heel veel is, alleen op weg, verantwoordelijkheid voor twee dieren en ook nog een boek maken. Zelfs als ik ervaring had, dan nog is het veel.

Voorlopig ben ik aan het bouwen en ik zie wel. Elke stap is een ontdekking.

.

LINKS
Plantenboekje met tekeningen: https://alowieke.wordpress.com/reis-en-woonwagenverhalen-met-juffrouw-kolibri/

Werken in de tuin bij Omslag in Eindhoven: http://www.omslag.nl/nieuws/00976.html

De komst van een vagebond

Blogtek reiziger met tinker kl 001

.

Ik kom thuis en ineens staat er een paard in de wei. Zwart met wit en sokken om de benen. Het is een Tinker. Ik herken hem. Het is hetzelfde paard dat ik weken geleden zag, die keer dat ik  langs het Wilhelminakanaal fietste. De ezel balkt van opwinding en rent naar het hek als het dier hem nadert, maar het paard aan de andere kant graast rustig door. Achter de heg staat het woonwagentje verscholen. Een jongensachtige man met blond en halflang  haar zit achter een bord macaroni. Hij steekt zijn hand uit. “Jan,” stelt hij zich voor “Wij hebben elkaar eerder ontmoet”. “Ja,” lach ik. “Ik ben Alowieke.. ” Ik kijk het weiland in. “Leuk voor de ezel”, wijs ik, “nieuw gezelschap.” Hij lacht en zegt dat zijn paard toch niet reageert. Naast het kleine wagentje staan twee honden. Het touw waarmee ze vastzitten staat strak en hun neuzen steken allebei in mijn richting. Ik laat ze snuffelen aan mijn hand.
“Ik blijf tot februari,” zegt Jan resoluut.  ” Dan wil ik naar Portugal reizen, om daar te gaan wonen.”
“Reis je alleen?”
“Ja, met Dorus en de twee honden.
“Is dat niet zwaar, in je eentje?”
“Ja het is heel hard werken. Ik ben nog maar een jaar geleden begonnen met paarden en heb nu één grote tocht gemaakt met de wagen, in Nederland. Ik dacht, daar rij ik gewoon mee weg, net als een auto. Dat viel flink tegen. Het is ook een beetje dubbel. Ik zie er best tegen op, om weer op pad te gaan. Maar ik hoop toch dat ik straks weg kan. Eerst moet de wagen opgeknapt. De bok is er af gebeukt bij een ongeluk. Kijk maar.” Ik zie een rafelige dakrand en de bok is spoorloos.
“Ongeluk? Hoe kwam dat?”
Hij vertelt. “Ik stond met mijn wagentje bij een boer. Mijn merrie had net een veulen gezoogd, was aan het verspenen en niet in haar  normale doen. Toch ben ik een ritje gaan maken, mèt wagen. De boer zei: Dat kan je best, en het dier moet bewegen. Het liep fataal af. Ze stond zomaar opeens stil, dronk vermoeid en dorstig uit een grote plas. De wielen zakten weg en uit alle macht spoorde ik het dier aan. Dorus trok, de wagen schoot met een ruk naar voren, tegen haar kont. Dorus maakte van gekkigheid een rare sprong. In een poging een greppel te ontwijken knalde ik tegen een boom…. En eigenlijk wist ik het,” zegt Jan bedachtzaam, “Ik moet dit nu niet doen. Maar die boer wist zòveel van paarden….”
Jan vertelt hoeveel hij van zijn paard is gaan houden. Terwijl we praten komt de Tinker naar me toe, besnuffelt me en gaat verder met grazen. De honden zijn gaan liggen. “Je hebt al een hoop geleerd,” merk ik op. “Ja,” antwoordt hij. “Dat kan prima in korte tijd. Ik heb alles over paarden in me opgezogen als een spons. Toch, zoals jij het doet is denk ik beter. Eerst  bouwen. Maar daar ben ik veel te ongeduldig voor. En zo kan het ook.” Ik knik. “Ja, jij hebt al een mooie band opgebouwd met je paard. Maar ik ga nu koken. We praten later verder,” zeg ik. Hij kijkt naar zijn koud geworden bord macaroni. “Ik ga mijn prakkie maar eens opwarmen”.

Ik loop terug naar mijn wagen. De verhalen van Jan laten mij niet koud. Bij elke stap die ik doe, zie ik het scherper. Ik hoef voorlopig nergens heen. Dit is een goede plek. Alles op z’n tijd. Zeker weten.

.

Jan en zijn dieren kl

Jan en zijn dieren

Eng ding

blogtek eng ding (tractor)

.

Mijn benen bewegen de trappers en de wielen brengen me naar waar ik wil zijn. De lange smalle asfaltweg is stoffig en verlaten. De zon brandt op mijn blote schouders. Ik moet boodschappen doen, kaas halen op de markt. Ik heb gewacht tot de zon niet meer zo hoog stond. Voort ga ik en mijn voeten draaien maar, de trappers rond en rond. Warme wind waait om mijn hals. Het brengt me in een aangename trance. Ik fiets de lange weg naar Middelbeers, recht door akkerlanden,langs pas gemaaide bermen…
Opeens schrik ik op van een zwaar grommend geluid achter me. Het klinkt hard en het komt snel dichter bij. Instinctief duik ik in elkaar en draai zo dicht mogelijk naar de berm. Een grote groene trekker passeert met een ruime bocht. De bestuurder is een jongen, hij kijkt me kort aan over zijn schouder, terwijl hij verder rijdt.” “Eng ding,” hoor ik mezelf zeggen. Oei, denk ik daarna. Dit kan straks niet meer, zo’n schrikreactie. Als ik met paarden op de weg loop, springen ze zomaar mèt mij de berm in en verder nog dan dat. Met ezels zal dat minder zijn, maar toch..

De oplossing is helder. Groot maken. Alsof ik zelf net zo’n dikzak ben als die trekker. Jarenlang maakte ik tochten over de wateren van Utrecht. Ik was één met mijn boot op de grachten. Daar schrok ik nergens meer van. Zelfs dieventuig pakte ik in de kraag, samen met mijn scheepje. De weg is anders. Stille smalle landwegen zonder bochtjes, die zijn het verraderlijkst. Wat er wél rijdt, scheurt keihard langs je heen, trekkers en auto’s.
Ik heb mijn wagen aardig smal gemaakt. Dan kan ik krappe bochtjes om en smalle paadjes in.  Ik kan ook makkelijk aan de kant. Nu weet ik beter. Hoe maak ik mezelf breed, dáar gaat het om. De zijkant vol hangen met bewegende emmers.  In de emmers zitten rammelende harde dingen, die akelig uitsteken over het randje. Daar zijn automobilisten bang voor. En als ze dan toch langzaam mijn brede rammelende wagen passeren, dan zal ik vriendelijk groeten.
Paard-en-wagens krijgen jammer genoeg geen voorrang in Nederland. Mensen zijn er niet aan gewend. Dan moet je toch maatregelen nemen.

.
Ik ga vast oefenen. Ik maak mijn blik ruim, zodat ik alles zie. De berm is om te grazen, de weg is om te gaan. Koers houden, dat is het.

.

Voeten van de lente

.

.

blogtek-meisje-in-t-groen

.

Ik ben gegaan
langs strakke rijen bomen
en doodgeploegde aarde
elke stap die ik zet
kondigt verandering aan

Al is het maar een lichte bries
of slechts een zweem ervan
mijn adem is een dapper lied
mijn hart verlicht verlies

Achter mij, daar groeien bloemen
ik loop de bodem rijk
ik bedek de naakte aarde
en laat de bijen zoemen

Geweld op doodgeslagen grond
lang liep ik op grijze keien
zag groen ertussen, al maar meer
en zo loop ik de wereld rond

Wat wil bewegen zal nooit dood gaan
zaad blijft leven heel diep weg
de ziel van alles wat er is
blijft altijd in de kern bestaan

Ik loop ik loop steeds verder rond
heel de aarde, dicht de wond